The Last Exit – Still Corners

Het is als toverspel op The Last Exit van Still Corners. Ze klinken als een band maar zijn een duo. Tessa Murray levert haar stem en Greg Hughes bespeelt alle instrumenten. Samen vormen ze een compleet team, zoiets als voetbalclub VVV. Denk daar Murray in de rol van spits Giakoumakis en Hughes in die van alle andere spelers. Op de bühne staan anderen ze bij.

Murray’s schoonheid hypnotiseert, maar ook het fonkelende gitaarspel van Hughes. In de liedjes wordt Murray voortdurend omsingeld door een vracht aan gitaren die uit alle hoeken tevoorschijn lijken te komen. Het geeft het album een relaxte sfeer, je wilt wegduiken in een bioscoopstoel, want onwillekeurig komen ook beelden op van Wim Wenders film Paris Texas.

Je kunt deze muziek gerust verstrooiende indie noemen. Zelf noemen ze hun sound desert noir. Je vangt nu eens een fragment op à la The Cure, dan weer als van Ry Cooder of van die gitarist van Chris Isaak. Maar ook, door de omfloerste stem van Murray, van Mazzy Star. Luister zelf maar zonder je om een etiket te bekommeren. The Last Exit is een album dat naar warme dagen doet verlangen.

Blue Herons – Karl Blau & The World of Dust

Thuiskomst – Ida Gerhardt

Kort geleden maakten wij een wandeling langs de Lek. Lopend over de dijk vingen wij een stevige wind. In de polder hadden wij een uur eerder al een bui over ons heen gekregen. Het deerde ons niet. Het verlangen naar ruimte en lucht won het van deze onbeduidende ontberingen. 

We naderden Schoonhoven, ons begin- en eindpunt. Links van ons schoven schepen geruisloos voorbij.  Rechts van ons ontdekten wij verrassend een uil. Hij zat rustig op het dakje van een kleine schuur, het was net of hij de boten telde. 

De uil, de geruisloos voorbij glijdende schepen en de stad aan het water, ik moest aan Ida Gerhardt denken. Waren we een tiental kilometers zuidelijker gaan wandelen, dan heette de rivier de Waal en was de stad Gorinchem, haar geboorteplaats. Ida Gerhardt breng ik altijd in verband met het water. Geboren in Gorkum, getogen in Schiedam, aan de Nieuwe Waterweg. Ook woonde zij in Kampen, waarlangs de IJssel stroomt, en in Eefde, aan het Twentekanaal.

Het weidse water was voor Gerhardt altijd nabij. Daardoor kwam het als decor voor in enkele van haar gedichten. Zoals in het gedicht Thuiskomst, waarin zij de verstilde  en rustieke sfeer bij het ouderlijk huis schetst: een roodborstje dat nestelt bij de vlier, zwaluwen die langs scheren, een schip dat traag voorbij zeilt.

Toch heeft zij ook enige tijd in Bilthoven gewoond, ver van het water, op de Utrechtse Heuvelrug. Ook al was dat langer dan een halve eeuw geleden, iemand laat altijd sporen na. Maar je moet er wel open voor staan. Haar verblijf moet voelbaar zijn geweest voor Stefan Breuer (The World of Dust), die enkele jaren geleden naar dit plaatsje verhuisde. Hij stuitte er op haar gedicht Thuiskomst toen hij inspiratie zocht voor een nieuw lied. Het gedicht hielp hem bij het componeren van de song The Life of Gods

Dit lied staat nu op een single, een zogenaamde split 7”, waar op de andere kant een nummer van de Amerikaanse zanger Karl Blau staat. Breuer en Blau kennen elkaar.  Karl Blau ken ik ook. Ik zag hem een keer optreden tijdens het festival Take Root (2016). Hij was getooid met een cowboyhoed. Desondanks was hij innemend. Blau bleek een sympathiek mens te zijn en over een goede stem te beschikken.

Blau groeide op op het voormalige eiland Samish, dat Nederlanders ergens in de negentiende eeuw hadden ingedijkt om landbouwgrond te winnen. Het werd zo een schiereiland, verbonden met het vasteland van de staat Washington en wel op zo’n manier dat het van bovenaf het beeld geeft van een reiger.

Je geboortegrond, je woonomgeving en de beelden die ze oproepen, het gaf de naam aan deze single van Stefan Breuer en Blau: Blue Herons.

Het bovenstaande beseffend en daaraan toegevoegd de wetenschap dat Stefan Breuer een enthousiast collagekunstenaar is, die ook de hoes van Blue Herons heeft ontworpen, dat Slighty Salted, de bijdrage van Karl Blau, een aanstekelijke song is die een hommage verwoordt aan zijn voormalige thuisomgeving en dat The Life of Gods, de song van Stefan Breuer, een bijzonder lied is over zowel zijn oude als zijn nieuwe woonomgeving, en dat de geest van Ida Gerhardt een rol heeft gespeeld bij het ontstaan van het lied, dit alles maakt van de split 7” single Blue Herons van Stefan Breuer en Karl Blau een unieke muziekuitgave.

https://tinyroomrecords.bandcamp.com/album/blue-herons

Copperhead County rockt southern op debuutalbum Brothers

Continental Europe CECD 87

De eerste akkoorden van het album Brothers zetten je heel even op het verkeerde been. Je herinnert je ineens Last Train to Clarksville van The Monkees, een kunstmatige muziekgroep uit de late zestiger jaren. Maar de band die je hier bezig hoort is echt en de trein voert je niet naar Clarksville maar zuidelijker: naar staten als Georgia en Alabama. Dit is het terrein van de Southern Rock, een muziekstijl die stevig leunt op dominante gitaren en gruis klinkende zang. Het is muziek die gemaakt wordt door stoere bands als Lynyrd Skynyrd en The Allman Brothers, waarbij lang haar een noodzakelijke voorwaarde lijkt om het te kunnen maken. Al deze kenmerken zijn van toepassing op Copperhead County, een nieuwe band van Nederlandse bodem. 

De fundamenten van het geluid van Copperhead County worden gevormd door Robert van Voorden (gitaar) en Jordy Duitscher (orgel), die de band hebben opgericht. Corvin Silvester is als zanger onmisbaar. In zijn zang vindt hij de juiste balans tussen zingen en schreeuwen. Sinds kort maakt Marja Boenders deel uit van het gezelschap op bas. Ze verrichtte al eerder hand-en-spandiensten als achtergrondzangeres. Alex Stolwijk drumt.

Het debuutalbum Brothers van Copperhead County verscheen in 2020 en het leed meteen zwaar onder de beperkingen van het coronavirus. Niets was meer mogelijk. Geen albumpresentatie en geen optredens, terwijl je als nieuwe band enthousiast in de startblokken staat. Is er iets frustrerender dan een uitgestelde eerste keer?

De tien nummers op Brothers vormen tezamen een interessant debuutalbum. De kwaliteit is constant, alle nummers komen uit eigen koker. Voor de ouderen onder ons zal het geluid vertrouwd klinken, een houvast in deze onzekere tijd. Maar met nostalgie heeft het niet te maken, wel met een voortzetting van de goede dingen uit het verleden. Alleen het nummer Wide Plains heeft iets met nostalgie te maken, het hunkeren naar een tijd die voorbij is. Het is een uitzondering op het album, mede door het lang volgehouden akoestische geluid.

De gitaar van Robert van Voorden is dominant. Daar is niets mis mee, hij verstaat zijn vak. Het orgel houdt zich behoorlijk gedeisd, het biedt mandekking aan de gitaar. Maar je hoopt op een stiekeme uitbraak, zoals dat op Pacific Street even gebeurt. Je wil meer, à la Bill Payne bij Little Feat of dichter bij huis Pascal Lanslots bij Phil Bee’s Music. De achtergrondzangeressen zingen met verve hun partijen, ze zitten wel iets verstopt in de productie. Ik stel mij zo voor dat het geluid live nog beter tot hun recht komt. Dat wordt geheid een feestje waar carnavalvierders hun vingers bij aflikken. Maar ach, laat eerst maar die corona van de voorgrond verdwijnen. Zo lang dat nog niet gebeurt, moeten we ons in onze thuisisolatie vermaken met de studioversie van Brothers. Dat is geen straf hoor, maar een troost.

Lievelingsnummer is Brothers. Not Even the Wind is trouwens ook niet te versmaden. En zeker weten, bij een volgende draaibeurt doemen er weer andere favorieten op!

De droom die het jaar deed diggelen

Elk nieuw jaar probeer ik, liever dan het formuleren van goede voornemens, een positief gevoel zo lang mogelijk vast te houden. Maar een vervelende droom, meteen al in de eerste volle nacht van het nieuwe jaar, heeft die poging op wrede wijze verijdeld. Een oorzaak aanwijzen voor deze brutale inmenging in mijn leven is net zo moeilijk als voorspellen hoe vaak Jan Nagel terugkeert bij 50PLUS. Feit is dat ik was vergeten de kamerthermostaat terug in de automatische stand te zetten, waardoor de hele nacht de temperatuur in huis gelijk was aan die van een gezellige avond waarop je het slapen gaan zo lang mogelijk uitstelt. Misschien wakkerde die aangename temperatuur het vuurtje van mijn fantasie aan. Die draaide namelijk op volle kracht, net als de cv-ketel. 

In mijn droom was er al van alles gebeurd toen als volgend programmapunt de verjaardag van mijn oudste broer aan de orde kwam. Omdat hij alles al had, bedacht zijn oudste dochter iets leuks. Nu is het zo dat mijn oudste broer tijdens zijn leven in materieel opzicht best wel wat ontbeerde, zijn gezin had niet veel te makken. Dat het hem in mijn droom aan niets ontbrak, duidt er op dat het hem nu in de hemel goed vergaat. Dat stelt gerust. Zijn dochter bedacht dat het leuk zou zijn om een fanfareorkest te laten aanrukken, om 14.00 uur precies. 

Twee uur in de middag, ik had dus nog alle tijd om in het museum enkele klusjes uit te voeren. Maar dat bleek een misrekening. De ellende begon al bij het ontvangen van de timmerman voor het bespreken van noodzakelijk onderhoud. Maar eerst een bak koffie natuurlijk. 

Het koffieapparaat lekte. Gelukkig was ik in een slagvaardige stemming. Ik  besloot het meteen te repareren en beende naar de werkruimte. Daar bleek het licht kapot te zijn. Nieuwe lamp indraaien dus. Om die in het donker te kunnen vinden had ik de zaklantaarn nodig. Die lag weer niet op zijn plek. Een gevoel van een mislukkende dag begon manifest te worden. 

Alles duurde te lang. Alles wat ik pakte ging kapot. Na een tijdje zei de timmerman, het wachten zat, dat hij nu echt door moest naar een andere afspraak. Hij vertrok. Mijn tijd begon inmiddels ook op te raken. Ik besloot de boel de boel te laten en naar het huis van mijn broer te gaan. 

Aan de achterzijde van het museum, waar mijn fiets stond, verliet ik het pand. Donders. Nu was het mijn fietssleutel die mij tartte. Vergeten! Door de achterdeur kon ik niet meer naar binnen. Om bij de voorkant te komen moest ik nog wel een eindje stiefelen. Op die omweg werd ik vervolgens afgeleid door een dolende die de weg vroeg waarna ik – ook dat nog – zelf verdwaalde. Ik herkende helemaal niets meer. Gouda was een andere stad geworden. Boedapest? Berlijn? Google Maps moest uitkomst bieden.

Mijn mobiel! Die lag ook in het museum. Almaar nerveuzer liep ik van hot naar her in de hoop herkenningspunten te vinden. Het onrustige gevoel in mijn buik transformeerde naar paniek. Toch slaagde ik erin na geruime tijd de vooringang van het gebouw te vinden. Opgelucht keek ik op mijn horloge. Half drie. Die fanfare kon ik op mijn buik schrijven. Ik stortte in.

Bezweet werd ik wakker. De wekker wees acht uur. In bed blijven wilde ik niet langer. Ik ging naar de keuken. Verdoofd ruimde ik de vaatwasser uit. 

2 januari 2021. Voor dit jaar heb ik geen enkele verwachting meer.

‘Lichter dan ik’ en ‘De njai’, een prachtig stel!

Of het door het coronavirus komt weet ik niet. Maar dit jaar heb ik meer boeken gelezen dan de jaren ervoor. Uitstekende boeken ook, zoals Grand-Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer, wat mij betreft het hoogtepunt van de afgelopen decennia. Samen met de Max Havelaar staat het nu onbedreigd bovenaan op mijn lijst met boeken die meegenomen dienen te worden naar het onbewoonde eiland. Dat eiland is niet het overbevolkte Java.

Java is het decor van een ander uitmuntend boek, Lichter dan ik van Dido Michielsen. Het speelt zich af in de negentiende eeuw. Haar debuutroman verhaalt over het leven van Isah, een inlandse vrouw die een relatie begint met een Hollandse officier en met hem twee dochters krijgt. Het klinkt als het begin van een mooi sprookje en zo ziet Isah het in haar naïviteit ook . Maar ze vergeet dat ze laag op de maatschappelijke ladder staat en dus nauwelijks rechten heeft in de klassenmaatschappij van het Nederlands-Indië van toen . Zij wordt weggestuurd als de officier op verlof naar Nederland gaat om zijn toekomstige bruid op te halen. Isahs dochters worden haar ook nog eens afgenomen; de twee meisjes krijgen in een pleeggezin een betere toekomst dan Isah ooit had. Zo verging het vele inlandse vrouwen. Isah was er eerder in het verhaal al voor gewaarschuwd.

Wat het boek interessant maakt is het vertelperspectief. Het verhaal wordt verteld door Isah en dus niet vanuit een Nederlandse of Indische invalshoek. Hierdoor wordt je als lezer nauwer betrokken bij de keuzes die Isah, of zulke vrouwen in het algemeen, moet maken en hoe zij de diverse vernederingen ondergaat. De superieure houding van de witte Nederlander en zijn laatdunkende ideeën over de autochtone bevolking worden nauwgezet opgetekend. Die inlanders moeten ons Nederlanders immers dankbaar zijn voor al het goede dat wij in de kolonie hebben gepresteerd, toch?

Lichter dan ik is niet bedoeld als aanklacht tegen de koloniale overheerser. Het schetst scherp het leven van de vrouwen die voor alle indo’s de oermoeder zijn. Want de lichtere kleur van de indo’s – of de donkerder kleur, het is net van welke kant je het bekijkt – vindt zijn oorsprong in het donkerbruin van de inheemse bevolking.

De geschiedenis van de inlandse vrouwen in relatie tot de witte Nederlander heeft Reggie Baay eerder uitvoerig vastgelegd in De njai: het concubinaat in Nederlands-Indië (2008). De scope van dit boek is ruimer, want het vertelt ook over het ontstaan van een koloniale samenleving in Nederlands-Indië, die sinds de opening van het Suezkanaal (1869) pas goed op gang kwam. Hij presenteerde zijn boek op de Pasar Malam Besar met een door hem zelf ingerichte tentoonstelling over de njai. Ik kocht daar zijn boek en vergat vervolgens dat ik dat deed.

Het toeval wil dat ik dit jaar geïnteresseerd raakte in de njai toen ik mijn overgrootmoeder herontdekte. Zij was immers van Molukse afkomst en dus mijn oermoeder. Ik vroeg mij af hoe zij en mijn overgrootvader elkaar ontmoetten (en keurig trouwden!) en hoe de onderlinge verhoudingen waren. Om daarover in die tijd meer te weten te komen moest ik dus De njai gaan lezen. In plaats van naar de boekenkast te lopen fietste ik naar de lokale boekhandel. Daar raakte ik in gesprek met een boekenverkoopster die eveneens van Indische afkomst is. Zij prees mij Lichter dan ik aan.

Beide boeken, De njai en Lichter dan ik, heb ik nu achter elkaar gelezen. Dat is dus puur toeval, maar daardoor kon ik ontdekken dat ze een unieke combinatie vormen die ik enthousiast aanbeveel. Ze zijn als een perfect huwelijk, waarin de partners op gelijke voet hun waardevolle bijdrage leveren.

Het Damegambiet

Anya Taylor-Joy als Beth Harmon in The Queen’s Gambit

Het was het jaar 1972. Boris Spasski en Robert Fischer begonnen in Reykjavik aan een match om de wereldtitel schaken. Rob en ik stonden tegelijkertijd in Den Haag aarzelend op de drempel van de grotemensenwereld. Die match in IJsland bleek precies het zetje te zijn dat wij nodig hadden om over die drempel te geraken. Natuurlijk zouden ook wij 24 partijen gaan spelen omdat wij ineens beseften topschakers te zijn! 

We waren aan elkaar gewaagd. Dat kon je zien aan onze onderlinge resultaten in de dam-, schaak- en strategocompetities die vriend en klasgenoot Hans in de weekeinden bij hem thuis organiseerde. We wisten heus wel dat onze leeftijdgenoten naar de discotheek gingen zoals werd verwacht van opgroeiende jongeren. Wij hadden echter serieuzere zaken aan ons hoofd. Dat was althans onze uitleg. In werkelijkheid hadden wij veel te veel gevoelens van onzekerheid om ons slagvaardig te kunnen begeven in een uitgaansleven met onbekende meisjes naar wie we weliswaar smachten maar voor wie wij tevens vrees hadden. Nee, ons testosteron lieten wij exploderen op de borden.

Verwijzingen in mijn geheugen naar onze tweekamp werden van het stof ontdaan tijdens het kijken naar The Queen’s Gambit. In deze populaire Netflix-serie worden de elementen van het spelen van schaak op hoog niveau, zoals Rob en ik die in onze beleving speelden, overtuigend in beeld gebracht. Van Morrisons live-album It’s Too Late To Stop Now fungeerde heel treffend als de soundtrack bij onze match die jaren duurde. De Netflix-serie wakkerde ook mijn interesse voor het spel weer aan.

Na de laatste aflevering van The Queens Gambit maakte ik een account op chess.com, neusde er wat rond en ontdekte computers van verschillende speelsterkte die uitdagend op mij wachtten. Ik koos voor Nelson en opende met d2-d4 in de hoop dat het rekenwonder zou kiezen voor het damegambiet. Nelson had andere plannen. Nelson maakte mij daarbij in korte tijd meedogenloos af. Toen ik enigszins hersteld was van deze oorwassing ging ik in alle nederigheid een tweede partij aan. Ik won tot mijn grote opluchting. Deze keer liet ik mij niet gek maken door Nelsons krankzinnig vroegtijdig geschuif met zijn dame. Twee partijen gespeeld, stand 1 – 1. Nu moest ik oppassen, besefte ik, want weer een match van 24 partijen lag op de loer. 

Tussen Nelson en Rob ligt een tijdspanne van bijna een halve eeuw. Door de boeiende Netflix-serie The Queen’s Gambit leek die tijd niet te bestaan.

Lopende zaken – PLAN_D

Fijne momenten zijn het, die keren dat je met een blanco geest en een onbevooroordeelde houding een album opzet en bij de eerste klanken (en woorden!) al verrast wordt door de sound van een band. Het is als een blind date die onverwacht goed uitpakt. Daar draagt ook de klankkleur van de liedjes die voorbij komen aan bij. Het is een verdienste van Da Goose Mastering, dat erin slaagde de liedjes qua sound mooi en samenhangend te laten uitkomen. Voor al het andere, niet alleen tekst en muziek, maar ook productie en mix, is PLAN_D zelf verantwoordelijk. PLAN_D is een nieuw muziekproject bestaande uit routiniers uit de contreien van Deventer.

Het is niet alleen de muziek die overtuigt. Ook de teksten zorgen voor een prima balans tussen muziek en tekst. Luister naar de eerste woorden

 “ik heb vaak geprobeerd mijn zorgen te verdrinken
maar ze zwemmen veel te goed”

en je weet dat de schrijver zich niet hoeft te schamen voor zijn werk. Hier is een ambachtsman bezig, iemand die vaardig is met taal. De woorden zijn van de hand van Bert Hermelink, die liedjes schrijven in een ver verleden al deed bij Toontje Lager (Stiekem gedanst). Ze worden gezongen door Kim Pol, wier stem bij de eerste kennismaking doet denken aan die van Maaike Ouboter. PLAN_D rockt echter meer. Deze muziek zal het meer dan in het theater goed doen op het poppodium. 

In de muziek zijn de hoofdrollen weggelegd voor het melodieuze toetsenwerk van Bert Hermelink en aangenaam klinkende gitaren. Reggy Langkun is de gitarist van de band, maar er doen op enkele nummers ook gastgitaristen mee. Met name de bijdragen van Tom Veltien op twee nummers zijn zeer de moeite waard. Het gezelschap, met Koos Lonis op bas, klinkt ervaren en goed ingespeeld. Toch gaat het hier om een debuut. De muzikanten beschikken echter over ruime ervaring in diverse muziekformaties met uiteenlopende stijlen. 

PLAN_D is een geslaagd muziekproject geworden dat hopelijk niet eenmalig een album uitbrengt.

15 augustus, de Indiëherdenking

Staartje van de brief dd 26 september 1947, verzonden vanuit paleis Het Loo

Een persoon die je nooit hebt gekend kun je onmogelijk missen. Toch lijkt generaties later de vroegtijdige dood van een lid nog als een litteken in een familie aanwezig te zijn. Er is ergens een leegte ontstaan die niet kan worden opgevuld. Desondanks probeert een onzichtbare kracht in een familie als een fluïdum het gat te herstellen.

Mijn vaders vader overleefde de Tweede Wereldoorlog niet. Hij stierf in Birma aan dysenterie, net als zijn zwager. Beiden hadden tijdens de Japanse bezetting gezamenlijk dezelfde weg afgelegd: geïnterneerd in een jappenkamp, getransporteerd naar Birma en vanuit die hel gereisd naar de hemel. 

Hun vrouwen – twee zussen – verbleven bij elkaar en met hun kinderen in diverse jappenkampen, nog onwetend over het lot van hun echtgenoten. Dat lot werd pas gaandeweg duidelijk toen op 15 augustus 1945 de oorlog was afgelopen en overlevenden hun familieleden begonnen te zoeken. De losse puzzelstukjes moesten weer op hun juiste plek komen te liggen. Maar in bijna elke familie bleken stukjes te ontbreken. Ook de twee zussen kwamen geleidelijk aan achter de gevreesde realiteit dat hun gezinnen niet meer compleet waren. Dat was een verschrikkelijke wetenschap in een land dat in een nieuwe oorlog was verwikkeld. Deze omstandigheden hielden voor mijn familie de vrijheid op 15 augustus 1945 in. 

Mijn oma ‘repatrieerde’ in 1946 als weduwe per boot met haar jongste vier kinderen. Sommige familieleden bleven tijdelijk of permanent in Indië achter. Een nieuwe puzzel was in de maak. Oma berustte in haar lot en stelde zich tevreden op, Nederland was immers haar nieuwe thuis. Punt. Haar kinderen verlieten stapsgewijs getrouwd het moederlijk huis. Iedereen bouwde in het nieuwe land een nieuw bestaan op.  

Toch bleef de oorlog soms op de achtergrond aanwezig in de vorm van nachtmerries, trauma’s en kampsyndromen. Onzichtbaar werd verdriet doorgegeven aan een volgende generatie. Er zat ergens pijn in de familie, ook al wist iedereen steeds minder goed waar dat vandaan kwam. De oorlog was immers al zo lang geleden. 

Op het moment dat ik vader werd, ontdekte ik ineens het stelsel van rollen die binnen een familie aanwezig zijn, zoals de rol van vader, zoon of grootvader. Ook zag ik dat die rollen een leereffect hebben, dat ze tot voorbeeld dienen voor een volgende generatie. Het werd mij toen duidelijk dat niet alleen personen maar ook hun rollen in onze familie werden gemist. Mijn vader heeft zijn vader nooit in de rol van opa kunnen meemaken, een opa kende ik niet. De dood van mijn grootvader veroorzaakte dus meer dan een fysiek gemis. 

Daar sta ik bij stil op 15 augustus.

De futloze maaier

Het handmaaiertje lag al een paar jaar werkloos in de berging te wachten op zijn lotsbestemming. De fut was eruit, het wilde niet meer opgeladen worden. Het apparaat weggooien, dat durfde ik nog niet aan. Het was immers een zomaarcadeau van mijn moeder, gekocht van haar eigen aow-centjes. Ze zag me namelijk een keer het kleine beetje gras in het kleine tuintje achter ons eerste huis met een schaar knippen. Elke andere persoon zou zij bij het zien van dit monnikenwerk keihard hebben uitgelachen, maar haar derde zoon wilde ze de hoon van anderen besparen. Het gaat hier dus niet om zomaar een machientje. 

Op een helder moment dacht ik ineens: zou er niet een batterij in zitten, eentje die je gewoon kunt verwisselen? Er zat namelijk een schroefje in zijn kont en dat kon allicht worden losgedraaid en misschien kon er dan een klepje open. 

Het bleek waar te zijn. Een laadruimte openbaarde zich waarin een accupack was gestopt. Het was een geel, chemisch pakketje dat met twee draadjes was verbonden met de motor. Die draadjes konden los. Met een beetje zoeken op internet bleek een nieuwe batterij gewoon te kunnen worden besteld! Ik moest na deze ontdekking met schrik terugdenken aan de kruimeldief die ik lang geleden wel had weggegooid in verband met oplaadmoeheid. Dat apparaat was misschien helemaal niet op, maar lag het werkweigeren aan een batterij die moest worden vervangen.

Ik dacht ook aan mijn vader, mijn niet altijd succesvol voorbeeld bij klusjes in huis. Zelf wisselde hij onhandigheid af met vernuftige oplossingen, die zo eigen zijn aan Indische mensen. Nooit wist je bij hem op welke manier een probleem zou worden opgelost. Zou hij wel in de accuval getrapt zijn en het apparaat hebben weggegooid? Heel waarschijnlijk niet, maar om een andere reden. 

Bij ons thuis werd namelijk niet snel iets weggegooid, mijn ouders hadden immers het jappenkamp meegemaakt. Zij waren jarenlang gedwongen om heel zuinig te doen met de schaarse spullen die ze het kamp in mee mochten nemen. Ook leerden zij er vindingrijk te zijn. 

Deze eigenschappen lijken doorgegeven te zijn aan de tweede generatie. En daarom had ik die handmaaier natuurlijk nog. Ik was bereid om hem desnoods met een verlengsnoer te gebruiken in de tuin. Maar dat hoeft nu niet meer.

Zojuist, inmiddels vele jaren en tuintjes verder, heb ik enkele randjes van ons nieuwe grasveld geschoren met de herboren handmaaier. Het geratel als dat van een naaimachine klonk vertrouwd in de oren, de grassprietjes zegen als mikadostokjes neer. 

Mijn ouders in de hemel keken misschien wel tevreden naar beneden. En heel misschien ook hoorde ik ze tussen het geratel door tegen elkaar zeggen: hebben we toch nog iets bereikt bij die jongen.

Tapijt met taart

Voor een laatste keer ging de ranke, bedaarde man ons huis binnen. Nu om afscheid te nemen van onze kinderen en om onze zoon in het bijzonder succes te wensen met het verdere verloop van zijn studie. Zonder opzet toonde hij daarmee een voorbeeld van aangeboren hoffelijkheid. 

Zijn bezoek aan ons duurde nog geen uur en in die korte tijd werden er diverse wetenswaardigheden uitgewisseld. Zo wist ik niet dat Isfahan ooit de hoofdstad van Perzië was. De naam kende ik alleen uit het gedicht over de dood en de tuinman, waarvan de naam van de dichter mij maar niet te binnen wilde schieten. We praatten over Iran, Perzië en de tentoonstelling in het Drents Museum eind 2018 Iran – Bakermat van de beschaving, een tentoonstelling die mij deed verwonderen over de verfijnde kunst en grenzeloze kunde van een volk vele eeuwen voor het begin van onze jaartelling. Maar vooral – en daar ging het om – had de visite een dankbaar succes opgeleverd voor zowel onze woonkamer als de omzet van zijn tapijtwinkel. 

Toen hij weer naar zijn eigen woonstee was vertrokken brachten wij, staande op het gloednieuwe Perzische tapijt, de ons geschonken taart ter discussie. Hadden we die misschien moeten weigeren? De zoon bracht in dat het in andere culturen vaak een uiting van beleefdheid was om een cadeau aan te bieden, waarbij het tevens een kwestie van fatsoen was om het geschenk te weigeren.Een ritueel waarmee wij berekenende Hollanders niet vertrouwd zijn. Ik zag de gift van de taart niet als een beleefdheidsuiting, maar vond het vooral een vriendelijk gebaar ter afsluiting van een prettig verlopen transactie. Hij ging immers speciaal terug naar zijn auto voor de taart om hem aan ons te kunnen geven. 

Hij kwam deze zaterdagmiddag na sluitingstijd van zijn winkel nog even de door ons geselecteerde tapijten in onze woonkamer schikken. Hij kwam in een huiselijke sfeer terecht die hij mogelijk als prettig ervaarde. De jongste dochter was net op tijd thuisgekomen om mede de moeilijke keuze te bepalen. De zoon was in de keuken bezig ons avondmaal te bereiden. Er werd gepraat over zijn studie, de man toonde serieuze interesse. Hij hielp bij het bepalen van onze keuze, niet door zijn voorkeur op te dringen, maar om onze argumenten te steunen als die overeen kwamen met zijn beeld van harmonie. Of juist te zwijgen als hij dacht dat wij een naar zijn bescheiden mening verkeerde weg insloegen. Toen de keuze bepaald was en de koop gesloten bood hij ook nog eens korting aan, hiermee de rollen van koper en verkoper omdraaiend. Hadden we de korting misschien ook moeten weigeren? Of hadden we daarentegen een hoger bedrag moeten bieden? Wanneer verschillende culturen elkaar ontmoeten is het algauw nauwkeurig draaien aan de knoppen om de juiste frequentie te vinden.

Ik vermoed dat de sfeer in totaliteit in ons huis bij hem een snaar raakte. Onze prettige interactie zou ook een rol gespeeld kunnen hebben. Misschien bracht het herinneringen boven aan familie of vrienden in Iran, een land dat hij mogelijk heeft moeten ontvluchten. Hoe dan ook, het nieuwe tapijt ligt werkelijk heel mooi op onze marmeren vloer, vorstelijk zelfs. Het was een perfecte zaterdag, die met een heerlijke taart feestelijk werd afgesloten.