Een rondje in de vroege ochtend

Zowaar kon de buurt mij weer eens zien hardlopen. Maar het meest verrast was toch ikzelf. Een jaartje geleden bergde ik immers mijn running shoes op, ver weg in de schoenenkast. Het was me allemaal te druk geworden in park en polder; iedereen leek – al dan niet gedwongen door de lockdown – in professioneel ogende kleding en uitgerust met mobiel inclusief draadloze oordoppen te galopperen. Het móeten rennen stond mij trouwens ook al tegen, vooral ‘s ochtends vroeg als het buiten koud was en het bed nog lekker warm. Voor een goede conditie was de noodzaak er eigenlijk niet meer; we wandelden de laatste jaren steeds vaker en verder en kregen alleen daardoor al genoeg beweging. Wandelen is bovendien prettiger voor de gewrichten dan het bonkende rennen. Mijn besluit om te stoppen was dus in vele opzichten verstandig.

Maar ineens kreeg ik er weer zin in. Ik herinnerde mij hoe fijn hardlopen in de vroege ochtend kan zijn, als er nog geen mens op de been is. Het voelt alsof tijd en ruimte jou toebehoren. Je ziet het lichtspel van de vroege ochtendzon. Een haan kraait. Konijnen voelen zich veilig in de weilanden. Vogels wanen zich op de grens van nacht en dag meester over de wereld. Tot de mens wakker wordt en zijn dominantie etaleert. Dan houdt de fauna zich maar gedeisd. Maar als de zon gaat zakken en men zich weer in de huizen verstopt, komen konijnen, egels en een verdwaalde veenmol uit hun schuilplaats tevoorschijn. Die momenten, aan de randen van de dag, is het fijn om buiten te zijn. In dat overgangsgebied van licht en donker begeef ik mij graag, alsof ik niet kan kiezen tot welke wereld ik wil behoren.

Bovenal gaat het natuurlijk om de activiteit zelf, die door mij telkens op een andere manier wordt beleefd. De ene keer met loodzware benen, die lijken te kleven aan het asfalt. De andere keer zwevend boven het parcours, zoals een buizerd mij een keer de weg leek te wijzen. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat het eerste vaker het geval is. Maar toch, het gaat ook om het gevoel dat het oproept. Het gevoel van autonomie, de vrijheid die je onderweg beleeft, de tevredenheid na afloop als je gedoucht hebt en schoon in de kleren zit, dat je de dag aan kunt. Ook daar is veel voor te zeggen.

Opnieuw kamperen

Alpenkreuzer Open Air

Door een onplanbare reeks van gebeurtenissen beschikken wij ineens over een vouwwagen. Eigenlijk overkwam het ons. Voor ons is daarmee opnieuw een kampeertijdperk aangebroken, met nieuwe existentiële vragen zoals: wat voor kampeerders willen we op deze leeftijd nog zijn en op wat voor campings gaan we dat in praktijk brengen? 

We hebben inmiddels aan twee korte verblijven op boerencampings kunnen ruiken. We ontdekten dat in twintig jaar tijd de groeiende welvaart en de toegenomen behoefte aan luxe de wijze van kamperen aanzienlijk heeft veranderd. Ons overrompelde het beeld van witte caravans en campers in keurige rijtjes, met grote voortenten en een elektriciteitsbehoefte die concurreert met dat van een data center. We zagen een joekel van een camper aankomen rijden, met achterin een heuse kelderruimte waarin tuinmeubels en elektrische fietsen stonden opgeslagen. Televisieantennes her en der wezen erop dat de mensen het precies zo als thuis willen hebben. Alle kampeerplekken beschikken over water en elektriciteit, een verhard stukje grond en vaak ook nog een aansluiting op het riool. 

Waar zijn de tenten met scheerlijnen, stormriemen en vogelpoep op het doek toch gebleven? Ziet men in het kamperen eerder ontberingen dan een oefening in eenvoud, begeleid door vogelengezang in de morgen en een kikkerkoor in de avond? Wil men niet voor eventjes de pyramide van Maslow afdalen? Koppige puriteinen vind je alleen nog maar op schaarse paalkampeerveldjes, maar die zijn net iets te spartaans voor ons. 

Met ons vouwwagentje passen wij eigenlijk nergens bij. Wij zijn kampeerders die niet willen bukken. Maar elektriciteit hebben we niet per se nodig en dat je je telefoon dan niet kan opladen zien we eerder als een stimulans om er zo lang mogelijk van af te blijven dan als een groot gemis. Voor ons hoeft het allemaal niet zo georganiseerd en geregeld, want dat kan soms doorslaan. Zoals die keer dat het licht op het toilet uitging omdat er kennelijk een standaardverblijfstijd werd overschreden. Dat overkwam mij op een camping waar ze oplaadbare pasjes gebruiken waarmee je warm water bij de kraan kunt kopen. Daar ook ging de slagboom alleen open als de boerin op een knopje drukte en dat is dus alleen de eerste keer, bij aankomst. Terug werkte het wel automatisch. Ze zien je liever gaan dan komen, lijkt het dan. 

We zochten rustige campings. Eentje werd aangeprezen als ‘uitermate geschikt voor de vijftigplusser die van rust houdt’. Dat spreekt ons aan. Maar willen wij bij nader inzien wel op een camping waar iedereen hetzelfde is en hetzelfde doet, waar je in de washokjes gekuch en gerochel om je heen hoort en waar de mensen overdag op hun elektrische fietsen een uitgezette anwb-route af gaan werken? We schrokken wel een beetje van deze eenvormigheid. 

Misschien een volgende keer toch maar een groene minicamping uitkiezen waar voornamelijk tentkampeerders komen? Of juist het tegenovergestelde, een grote familiecamping waar alle generaties door elkaar verblijven als afspiegeling van de samenleving. Liefst zonder betutteling.

De zanglijster

De mooie zomeravond is als het toetje van een geslaagde dag. Ik wandel voldaan over de IJsseldijk langs de sportvelden in de uiterwaarden. Daar zijn kinderen met een lichte training bezig. Aan de andere kant van de dijk is een parkje aangelegd. Vanuit het groen hoor ik ineens prachtig vogelgezang. Het klinkt als het lied van een wezen dat tevreden is met het bestaan. Ik kan niet anders dan stil staan om mij te laten betoveren. 

Dit lied is nieuw voor mij. Wat voor vogel is het? Ik moet het weten. Daarom pak ik mijn telefoon en druk op de button van BirdNET. Dan, als ik zo’n tien seconden aan wonderschone klanken heb geregistreerd, komt een fietser langs. In het voorbijgaan hoor ik hem ‘zanglijster’ zeggen. Ik kijk op en kan nog net  een dankjewel tegen zijn rug zeggen. 

Nu rijst de vraag hoe hij kon weten dat ik een vogel aan het analyseren was. Want wat hij zag was niets anders dan een man verdiept in zijn telefoon. Een alledaags beeld, mensen reageren immers voortdurend op signalen van hun telefoon. Er was iets waardoor hij moest hebben gedacht dat ik niet geactiveerd werd door een geluid van mijn mobiel, maar dat precies het tegenovergestelde het geval was. Ach, hij hoorde logischerwijs ook die vogel zingen!

Ik druk op de analyseerknop en kijk naar het resultaat. Natuurlijk is dat allang geen verrassing meer.

Een gewone Goudse wandeling

Omdat Gouda aan de Hollandse IJssel ligt kun je er een rivierwandeling maken. Toch zijn er maar weinigen die zich hiertoe laten verleiden. Gouda is namelijk voor velen de stad van Erasmus en Coornhert, St. Jans-kerk en Stadhuis of, zoals stadsmarketeers het willen, kaas en stroopwafels. Hier doen we op deze wandeling echter niets mee. We maken gewoon een onbeduidend voettochtje. Begin- en eindpunt illustreren dat veelzeggend. De tocht begint onder hoogspanningskabels en eindigt op een loopplank.

Daar waar de Voorwillenseweg uitkomt op de Goejanverwelledijk steek je deze dijk over om het smalle fietspad te volgen richting de rivier. In een flauwe linkse bocht naar Haastrecht bevindt zich rechts een bankje. Hier begint de wandeling.

Je gaat er rechtsaf, over een onverhard pad behept met kale bulten als acné in een pubergezicht. Je kuiert er enkele honderden meters in de uiterwaarden tussen sportvelden en rivier. Aan de andere kant van het water zie je oudere huisjes al dan niet verscholen in ruig groen. Een enkele boot ligt er aangemeerd. Je voelt je, lopend over dat hobbelige graspad, teruggezet in de tijd. Met wat goede wil kun je zeggen dat het schilderachtig is. Hierna loopt het pad dood op een hek van aannemersbedrijf Van Ooijen. Daarom kun je beter iets eerder de oever verlaten om tussen de petanquevereniging en een honkbalveld in naar de eerder gekruiste Goejanverwelledijk te lopen.

Over die dijk loop je door naar het westen en steek je de Goverwellesingel over. Links, na de hairclub van Marna, verrijzen straks schitterende nieuwbouwwoningen. Maar voor je daar aan toe bent, passeer je eerst een verwilderd en rommelig perceel, een stukje niemandsland waar het lijkt of er onlangs  een wervelstorm heeft gewoed. Verbaas je een moment over de gammele woonboot die erachter voor anker ligt, als stil protest tegen de aanwezigheid van de smetteloze nieuwe huizen van de buren. Nog even doortippelen en je arriveert bij de waaiersluis, een belangrijk punt in het stroomgebied. Tot hier is de Hollandse IJssel gekanaliseerd, daarna is het een echte rivier met het ritme van eb en vloed. 

Bij de sluis neem je bij voorkeur het verborgen pad langs de stroom. Je wandelt dan naast begraafplaats de IJsselhof aan deze zijde en tegenover kapitale villa’s aan gene zijde van de rivier. Die huizen aan de overkant, die zijn van een andere categorie dan die nieuwe woninkjes die je eerder bent gepasseerd. Dit is volume onder architectuur met aanlegsteigers en bootliften! Die zijn nog gebouwd met guldens, de bewoners  zijn al lang geleden geslaagd in het leven. Nog steeds loop je langs de IJsselhof over het geheimde paadje dat straks afbuigt, weer naar de dijk toe. Nogmaals beloop je de Goejanverwelledijk, nu richting de Haastrechtse brug. Je moet daar een drukke weg oversteken, maar dat gaat niet lukken zonder tijdrovende omtrekkende bewegingen te maken. Want de verkeerslichten zijn niet berekend op wandelaars. Maar als je de situatie goed kent, zorg je dat je enkel tientallen meters voor de brug een smal pad naar de oever neemt. 

Daar ligt aan het begin in de berm het gedicht Aan de dijk van Leo Vroman, waar ik verder niets over zeg want dit is een gewone wandeling. Toch wil ik wel even bij Leo Vroman stil staan. Vroman is ook een bekende Gouwenaar, die hier en daar in de stad wordt geëerd, zo ook ter hoogte van de waaiersluis, waar twee woontorentjes vernoemd zijn naar Leo en Tineke. Dat vergat ik te melden. Het gedicht Aan de dijk markeert het begin van het struinpad dat je onder de brug door leidt naar het eindpunt van de wandeling, de aanlegkade. Dan heb je het wel gehad. 

Let op de loopplank waar je overheen loopt. Hier was ooit de ingang naar de Oosthaven en Westhaven, toen vaartuigen nog vanaf de Hollandse IJssel het centrum van Gouda konden bereiken. Die toegang is in verband met de deltawerken, die ook verantwoordelijk zijn voor de waaiersluis, weggemoffeld onder een lading beton. Vanaf  hier kun je diverse leuke en interessante wandelingen gaan maken of ergens kaas en stroopwafels gaan kopen. Dit is het eindpunt van deze gewone wandeling.

De droom die het jaar deed diggelen

Elk nieuw jaar probeer ik, liever dan het formuleren van goede voornemens, een positief gevoel zo lang mogelijk vast te houden. Maar een vervelende droom, meteen al in de eerste volle nacht van het nieuwe jaar, heeft die poging op wrede wijze verijdeld. Een oorzaak aanwijzen voor deze brutale inmenging in mijn leven is net zo moeilijk als voorspellen hoe vaak Jan Nagel terugkeert bij 50PLUS. Feit is dat ik was vergeten de kamerthermostaat terug in de automatische stand te zetten, waardoor de hele nacht de temperatuur in huis gelijk was aan die van een gezellige avond waarop je het slapen gaan zo lang mogelijk uitstelt. Misschien wakkerde die aangename temperatuur het vuurtje van mijn fantasie aan. Die draaide namelijk op volle kracht, net als de cv-ketel. 

In mijn droom was er al van alles gebeurd toen als volgend programmapunt de verjaardag van mijn oudste broer aan de orde kwam. Omdat hij alles al had, bedacht zijn oudste dochter iets leuks. Nu is het zo dat mijn oudste broer tijdens zijn leven in materieel opzicht best wel wat ontbeerde, zijn gezin had niet veel te makken. Dat het hem in mijn droom aan niets ontbrak, duidt er op dat het hem nu in de hemel goed vergaat. Dat stelt gerust. Zijn dochter bedacht dat het leuk zou zijn om een fanfareorkest te laten aanrukken, om 14.00 uur precies. 

Twee uur in de middag, ik had dus nog alle tijd om in het museum enkele klusjes uit te voeren. Maar dat bleek een misrekening. De ellende begon al bij het ontvangen van de timmerman voor het bespreken van noodzakelijk onderhoud. Maar eerst een bak koffie natuurlijk. 

Het koffieapparaat lekte. Gelukkig was ik in een slagvaardige stemming. Ik  besloot het meteen te repareren en beende naar de werkruimte. Daar bleek het licht kapot te zijn. Nieuwe lamp indraaien dus. Om die in het donker te kunnen vinden had ik de zaklantaarn nodig. Die lag weer niet op zijn plek. Een gevoel van een mislukkende dag begon manifest te worden. 

Alles duurde te lang. Alles wat ik pakte ging kapot. Na een tijdje zei de timmerman, het wachten zat, dat hij nu echt door moest naar een andere afspraak. Hij vertrok. Mijn tijd begon inmiddels ook op te raken. Ik besloot de boel de boel te laten en naar het huis van mijn broer te gaan. 

Aan de achterzijde van het museum, waar mijn fiets stond, verliet ik het pand. Donders. Nu was het mijn fietssleutel die mij tartte. Vergeten! Door de achterdeur kon ik niet meer naar binnen. Om bij de voorkant te komen moest ik nog wel een eindje stiefelen. Op die omweg werd ik vervolgens afgeleid door een dolende die de weg vroeg waarna ik – ook dat nog – zelf verdwaalde. Ik herkende helemaal niets meer. Gouda was een andere stad geworden. Boedapest? Berlijn? Google Maps moest uitkomst bieden.

Mijn mobiel! Die lag ook in het museum. Almaar nerveuzer liep ik van hot naar her in de hoop herkenningspunten te vinden. Het onrustige gevoel in mijn buik transformeerde naar paniek. Toch slaagde ik erin na geruime tijd de vooringang van het gebouw te vinden. Opgelucht keek ik op mijn horloge. Half drie. Die fanfare kon ik op mijn buik schrijven. Ik stortte in.

Bezweet werd ik wakker. De wekker wees acht uur. In bed blijven wilde ik niet langer. Ik ging naar de keuken. Verdoofd ruimde ik de vaatwasser uit. 

2 januari 2021. Voor dit jaar heb ik geen enkele verwachting meer.

Het Damegambiet

Anya Taylor-Joy als Beth Harmon in The Queen’s Gambit

Het was het jaar 1972. Boris Spasski en Robert Fischer begonnen in Reykjavik aan een match om de wereldtitel schaken. Rob en ik stonden tegelijkertijd in Den Haag aarzelend op de drempel van de grotemensenwereld. Die match in IJsland bleek precies het zetje te zijn dat wij nodig hadden om over die drempel te geraken. Natuurlijk zouden ook wij 24 partijen gaan spelen omdat wij ineens beseften topschakers te zijn! 

We waren aan elkaar gewaagd. Dat kon je zien aan onze onderlinge resultaten in de dam-, schaak- en strategocompetities die vriend en klasgenoot Hans in de weekeinden bij hem thuis organiseerde. We wisten heus wel dat onze leeftijdgenoten naar de discotheek gingen zoals werd verwacht van opgroeiende jongeren. Wij hadden echter serieuzere zaken aan ons hoofd. Dat was althans onze uitleg. In werkelijkheid hadden wij veel te veel gevoelens van onzekerheid om ons slagvaardig te kunnen begeven in een uitgaansleven met onbekende meisjes naar wie we weliswaar smachten maar voor wie wij tevens vrees hadden. Nee, ons testosteron lieten wij exploderen op de borden.

Verwijzingen in mijn geheugen naar onze tweekamp werden van het stof ontdaan tijdens het kijken naar The Queen’s Gambit. In deze populaire Netflix-serie worden de elementen van het spelen van schaak op hoog niveau, zoals Rob en ik die in onze beleving speelden, overtuigend in beeld gebracht. Van Morrisons live-album It’s Too Late To Stop Now fungeerde heel treffend als de soundtrack bij onze match die jaren duurde. De Netflix-serie wakkerde ook mijn interesse voor het spel weer aan.

Na de laatste aflevering van The Queens Gambit maakte ik een account op chess.com, neusde er wat rond en ontdekte computers van verschillende speelsterkte die uitdagend op mij wachtten. Ik koos voor Nelson en opende met d2-d4 in de hoop dat het rekenwonder zou kiezen voor het damegambiet. Nelson had andere plannen. Nelson maakte mij daarbij in korte tijd meedogenloos af. Toen ik enigszins hersteld was van deze oorwassing ging ik in alle nederigheid een tweede partij aan. Ik won tot mijn grote opluchting. Deze keer liet ik mij niet gek maken door Nelsons krankzinnig vroegtijdig geschuif met zijn dame. Twee partijen gespeeld, stand 1 – 1. Nu moest ik oppassen, besefte ik, want weer een match van 24 partijen lag op de loer. 

Tussen Nelson en Rob ligt een tijdspanne van bijna een halve eeuw. Door de boeiende Netflix-serie The Queen’s Gambit leek die tijd niet te bestaan.

De futloze maaier

Het handmaaiertje lag al een paar jaar werkloos in de berging te wachten op zijn lotsbestemming. De fut was eruit, het wilde niet meer opgeladen worden. Het apparaat weggooien, dat durfde ik nog niet aan. Het was immers een zomaarcadeau van mijn moeder, gekocht van haar eigen aow-centjes. Ze zag me namelijk een keer het kleine beetje gras in het kleine tuintje achter ons eerste huis met een schaar knippen. Elke andere persoon zou zij bij het zien van dit monnikenwerk keihard hebben uitgelachen, maar haar derde zoon wilde ze de hoon van anderen besparen. Het gaat hier dus niet om zomaar een machientje. 

Op een helder moment dacht ik ineens: zou er niet een batterij in zitten, eentje die je gewoon kunt verwisselen? Er zat namelijk een schroefje in zijn kont en dat kon allicht worden losgedraaid en misschien kon er dan een klepje open. 

Het bleek waar te zijn. Een laadruimte openbaarde zich waarin een accupack was gestopt. Het was een geel, chemisch pakketje dat met twee draadjes was verbonden met de motor. Die draadjes konden los. Met een beetje zoeken op internet bleek een nieuwe batterij gewoon te kunnen worden besteld! Ik moest na deze ontdekking met schrik terugdenken aan de kruimeldief die ik lang geleden wel had weggegooid in verband met oplaadmoeheid. Dat apparaat was misschien helemaal niet op, maar lag het werkweigeren aan een batterij die moest worden vervangen.

Ik dacht ook aan mijn vader, mijn niet altijd succesvol voorbeeld bij klusjes in huis. Zelf wisselde hij onhandigheid af met vernuftige oplossingen, die zo eigen zijn aan Indische mensen. Nooit wist je bij hem op welke manier een probleem zou worden opgelost. Zou hij wel in de accuval getrapt zijn en het apparaat hebben weggegooid? Heel waarschijnlijk niet, maar om een andere reden. 

Bij ons thuis werd namelijk niet snel iets weggegooid, mijn ouders hadden immers het jappenkamp meegemaakt. Zij waren jarenlang gedwongen om heel zuinig te doen met de schaarse spullen die ze het kamp in mee mochten nemen. Ook leerden zij er vindingrijk te zijn. 

Deze eigenschappen lijken doorgegeven te zijn aan de tweede generatie. En daarom had ik die handmaaier natuurlijk nog. Ik was bereid om hem desnoods met een verlengsnoer te gebruiken in de tuin. Maar dat hoeft nu niet meer.

Zojuist, inmiddels vele jaren en tuintjes verder, heb ik enkele randjes van ons nieuwe grasveld geschoren met de herboren handmaaier. Het geratel als dat van een naaimachine klonk vertrouwd in de oren, de grassprietjes zegen als mikadostokjes neer. 

Mijn ouders in de hemel keken misschien wel tevreden naar beneden. En heel misschien ook hoorde ik ze tussen het geratel door tegen elkaar zeggen: hebben we toch nog iets bereikt bij die jongen.

Tapijt met taart

Voor een laatste keer ging de ranke, bedaarde man ons huis binnen. Nu om afscheid te nemen van onze kinderen en om onze zoon in het bijzonder succes te wensen met het verdere verloop van zijn studie. Zonder opzet toonde hij daarmee een voorbeeld van aangeboren hoffelijkheid. 

Zijn bezoek aan ons duurde nog geen uur en in die korte tijd werden er diverse wetenswaardigheden uitgewisseld. Zo wist ik niet dat Isfahan ooit de hoofdstad van Perzië was. De naam kende ik alleen uit het gedicht over de dood en de tuinman, waarvan de naam van de dichter mij maar niet te binnen wilde schieten. We praatten over Iran, Perzië en de tentoonstelling in het Drents Museum eind 2018 Iran – Bakermat van de beschaving, een tentoonstelling die mij deed verwonderen over de verfijnde kunst en grenzeloze kunde van een volk vele eeuwen voor het begin van onze jaartelling. Maar vooral – en daar ging het om – had de visite een dankbaar succes opgeleverd voor zowel onze woonkamer als de omzet van zijn tapijtwinkel. 

Toen hij weer naar zijn eigen woonstee was vertrokken brachten wij, staande op het gloednieuwe Perzische tapijt, de ons geschonken taart ter discussie. Hadden we die misschien moeten weigeren? De zoon bracht in dat het in andere culturen vaak een uiting van beleefdheid was om een cadeau aan te bieden, waarbij het tevens een kwestie van fatsoen was om het geschenk te weigeren.Een ritueel waarmee wij berekenende Hollanders niet vertrouwd zijn. Ik zag de gift van de taart niet als een beleefdheidsuiting, maar vond het vooral een vriendelijk gebaar ter afsluiting van een prettig verlopen transactie. Hij ging immers speciaal terug naar zijn auto voor de taart om hem aan ons te kunnen geven. 

Hij kwam deze zaterdagmiddag na sluitingstijd van zijn winkel nog even de door ons geselecteerde tapijten in onze woonkamer schikken. Hij kwam in een huiselijke sfeer terecht die hij mogelijk als prettig ervaarde. De jongste dochter was net op tijd thuisgekomen om mede de moeilijke keuze te bepalen. De zoon was in de keuken bezig ons avondmaal te bereiden. Er werd gepraat over zijn studie, de man toonde serieuze interesse. Hij hielp bij het bepalen van onze keuze, niet door zijn voorkeur op te dringen, maar om onze argumenten te steunen als die overeen kwamen met zijn beeld van harmonie. Of juist te zwijgen als hij dacht dat wij een naar zijn bescheiden mening verkeerde weg insloegen. Toen de keuze bepaald was en de koop gesloten bood hij ook nog eens korting aan, hiermee de rollen van koper en verkoper omdraaiend. Hadden we de korting misschien ook moeten weigeren? Of hadden we daarentegen een hoger bedrag moeten bieden? Wanneer verschillende culturen elkaar ontmoeten is het algauw nauwkeurig draaien aan de knoppen om de juiste frequentie te vinden.

Ik vermoed dat de sfeer in totaliteit in ons huis bij hem een snaar raakte. Onze prettige interactie zou ook een rol gespeeld kunnen hebben. Misschien bracht het herinneringen boven aan familie of vrienden in Iran, een land dat hij mogelijk heeft moeten ontvluchten. Hoe dan ook, het nieuwe tapijt ligt werkelijk heel mooi op onze marmeren vloer, vorstelijk zelfs. Het was een perfecte zaterdag, die met een heerlijke taart feestelijk werd afgesloten.

Tuttenwas

Halverwege de negentiger jaren beëindigde ik mijn beroepsbestaan als kantoorklerk om huisman te worden. Ons eerste kindje kondigde zich toen aan en voor mijn vrouw en mij begon een volgende, nog onbekende levensfase. Met mijn nieuwe rol had ik geen moeite. Integendeel, ik vond het prettig om eens met dingen bezig te zijn waarvan het nut zonneklaar was. Ik maakte de flessenvoeding, verschoonde luiers en deed het huishouden en dat alles op een manier die de goedkeuring van mijn moeder kon wegdragen. Ik zong zelfs kinderliedjes, niets was mij te gek. 

Ik was nog amper twee jaar aan het tutten met ons eerste kind toen de geboorte van een tweeling mijn functioneren flink op de proef zou stellen. Kennelijk was ik die eerste twee jaren in mijn nieuwe beroep op een relaxte wijze doorgekomen, ook al voelde dat heel anders. Nu moest bij wijze van spreken alles in drievoud gebeuren. Toen kreeg ik pas goed door wat voor een geweldige managers en planners de huismoeders altijd al geweest zijn. Met dit compliment geef ik mijzelf natuurlijk ook een grote veer in de kont, volgens mijn moeder zaliger geheel verdiend. 

De prille kinderjaren was een periode van doorgaan, doorbijten en vechten tegen de klok. Met het verstrijken van de tijd veranderde de taken, maar een ding bleef een constante: de dagelijkse was. Al die kleine sokjes, rompertjes en onderbroekjes, door mij al snel een tuttenwas genoemd, te drogen hangen was een intensieve kerntaak met veel intrinsieke yin yang yoga. 

Maar er was natuurlijk meer te doen in het huishouden. Vanzelf ontwikkelde zich een tabelletje in mijn hoofd waarin bij elke activiteit de tijdsduur werd gegeven; mijn ervaring met tijdverantwoordingssytemen in het verleden werkte nu in mijn voordeel. Een enkele keer zag ik op de klok dat de tijd mij nog de ruimte gunde voor een klusje van vijf minuten alvorens  naar school te gaan. Hup, daar sprong mijn virtueel tabelletje in beeld. Ik kon nog net even de was ophangen! Ik stoof naar zolder, pakte het bakje met knijpers en boog mij over wasmand en wasrek. Maar als het om een tuttenwas bleek te gaan, dan zat er niets anders op dan weer naar beneden te stuiven en de kinderen in hun jasjes en schoentjes te wurmen. Geen tijd immers. Als het winter was dan had ik die vijf minuten hard nodig om naast het veteren van zes schoentjes en het dichtknopen van drie jasjes  ook nog dertig vingertjes in handschoentjes te wringen en drie stuks sjaal om de tere halsjes te gorden. 

Aan dat alles stond ik mijmerend te denken toen ik vandaag de dagelijkse was ophing. Nu, zo’n 25 jaar verder, gingen er alweer allemaal fijne kledingstukken door mijn handen. Dat had te maken met de terugkomst van twee dochters naar het ouderlijk huis. In een kwart eeuw tijd leek er niets veranderd. Toch was er wel degelijk veel veranderd. Kinderen die terugkeren zijn natuurlijk eerst weggeweest. En een terugkomst impliceert een ingrijpende verandering in hun leven. Opa’s en oma’s zijn heengegaan. De euro kwam en internet werd sneller. 

De wereld veranderde. Maar de was bleef een onveranderlijk ankerpunt in mijn leven.

Pluk de dag

Afbeelding van Pixamio via Pixabay

Het weer vertoonde een lichte opleving in een langdurige, druilerige periode waarin de lente niet wist of zij al kon beginnen. Koude regen en harde wind maakten wekenlang de dienst uit, maar op deze dag was er toch nog ruimte voor een beetje zon. Die schaarse momenten van licht en warmte vulden op wonderlijke wijze het overheersende weerbeeld van grijs en grauw aan. Er was die dag namelijk een uitvaart van een dierbaar persoon, een optimistische vrouw bij wie zonlicht en bloesem hoorden. 

Nog geen jaar geleden zag ik haar van geluk stralend gezicht op een familiefoto. Bij het zien van die foto wist ik meteen dat het de foto van het jaar was. Geen enkele andere foto zou de zeggingskracht van het vastgelegde moment kunnen overtreffen. Zij was ongeneeslijk ziek en het gezin zou proberen nog een keer met elkaar op vakantie te gaan op een voor hen speciale plek in Frankrijk. Nog een keer het leven vieren met de meest dierbare mensen om je heen. 

Het was ze gelukt en het moment werd vastgelegd. Ik kreeg die foto onder ogen en zag dat het goed was. Het inspireerde mij tot het schrijven van een stukje over de foto van het jaar. Maar eer ik daaraan kon beginnen was de werkelijkheid alweer dramatisch veranderd. Haar man overleed een aantal weken na dat moment van harmonie onverwachts; bij de schoonzoon werd kanker geconstateerd. De wereld van de dochter veranderde in korte tijd in een wereld waarin een streng opgelegde agenda haar leven bepaalde. Er was ook nog een oudere broer die zorg nodig had. Ik wist dat mijn verhaal er niet meer zou komen.

Toch zat er ook iets moois in al die droefenis verscholen en dat toonde zich tijdens deze uitvaart. Die bijeenkomst was een mix van verdriet en levenslust. Het verdriet was vanzelfsprekend, maar de levenslust manifesteerde zich als een bloem op een cactus. Het was niet alleen de levenslust waarover de overledene beschikte en waarmee ze een onvermijdelijke dood telkens wist uit te stellen, maar ook de levenslust om van elke dag een feestdag te willen maken. Het toonde bovendien haar levenskunst om de juiste ingrediënten te verzamelen om het leven te vieren. Het was of dit de boodschap aan de achtergeblevenen was, vooral doorgaan met het leven en ervan genieten. 

Na de dienst was er geen koffie met cake. Nee, er werd wijn en kaas geserveerd!