De droom die het jaar deed diggelen

Elk nieuw jaar probeer ik, liever dan het formuleren van goede voornemens, een positief gevoel zo lang mogelijk vast te houden. Maar een vervelende droom, meteen al in de eerste volle nacht van het nieuwe jaar, heeft die poging op wrede wijze verijdeld. Een oorzaak aanwijzen voor deze brutale inmenging in mijn leven is net zo moeilijk als voorspellen hoe vaak Jan Nagel terugkeert bij 50PLUS. Feit is dat ik was vergeten de kamerthermostaat terug in de automatische stand te zetten, waardoor de hele nacht de temperatuur in huis gelijk was aan die van een gezellige avond waarop je het slapen gaan zo lang mogelijk uitstelt. Misschien wakkerde die aangename temperatuur het vuurtje van mijn fantasie aan. Die draaide namelijk op volle kracht, net als de cv-ketel. 

In mijn droom was er al van alles gebeurd toen als volgend programmapunt de verjaardag van mijn oudste broer aan de orde kwam. Omdat hij alles al had, bedacht zijn oudste dochter iets leuks. Nu is het zo dat mijn oudste broer tijdens zijn leven in materieel opzicht best wel wat ontbeerde, zijn gezin had niet veel te makken. Dat het hem in mijn droom aan niets ontbrak, duidt er op dat het hem nu in de hemel goed vergaat. Dat stelt gerust. Zijn dochter bedacht dat het leuk zou zijn om een fanfareorkest te laten aanrukken, om 14.00 uur precies. 

Twee uur in de middag, ik had dus nog alle tijd om in het museum enkele klusjes uit te voeren. Maar dat bleek een misrekening. De ellende begon al bij het ontvangen van de timmerman voor het bespreken van noodzakelijk onderhoud. Maar eerst een bak koffie natuurlijk. 

Het koffieapparaat lekte. Gelukkig was ik in een slagvaardige stemming. Ik  besloot het meteen te repareren en beende naar de werkruimte. Daar bleek het licht kapot te zijn. Nieuwe lamp indraaien dus. Om die in het donker te kunnen vinden had ik de zaklantaarn nodig. Die lag weer niet op zijn plek. Een gevoel van een mislukkende dag begon manifest te worden. 

Alles duurde te lang. Alles wat ik pakte ging kapot. Na een tijdje zei de timmerman, het wachten zat, dat hij nu echt door moest naar een andere afspraak. Hij vertrok. Mijn tijd begon inmiddels ook op te raken. Ik besloot de boel de boel te laten en naar het huis van mijn broer te gaan. 

Aan de achterzijde van het museum, waar mijn fiets stond, verliet ik het pand. Donders. Nu was het mijn fietssleutel die mij tartte. Vergeten! Door de achterdeur kon ik niet meer naar binnen. Om bij de voorkant te komen moest ik nog wel een eindje stiefelen. Op die omweg werd ik vervolgens afgeleid door een dolende die de weg vroeg waarna ik – ook dat nog – zelf verdwaalde. Ik herkende helemaal niets meer. Gouda was een andere stad geworden. Boedapest? Berlijn? Google Maps moest uitkomst bieden.

Mijn mobiel! Die lag ook in het museum. Almaar nerveuzer liep ik van hot naar her in de hoop herkenningspunten te vinden. Het onrustige gevoel in mijn buik transformeerde naar paniek. Toch slaagde ik erin na geruime tijd de vooringang van het gebouw te vinden. Opgelucht keek ik op mijn horloge. Half drie. Die fanfare kon ik op mijn buik schrijven. Ik stortte in.

Bezweet werd ik wakker. De wekker wees acht uur. In bed blijven wilde ik niet langer. Ik ging naar de keuken. Verdoofd ruimde ik de vaatwasser uit. 

2 januari 2021. Voor dit jaar heb ik geen enkele verwachting meer.

‘Lichter dan ik’ en ‘De njai’, een prachtig stel!

Of het door het coronavirus komt weet ik niet. Maar dit jaar heb ik meer boeken gelezen dan de jaren ervoor. Uitstekende boeken ook, zoals Grand-Hotel Europa van Ilja Leonard Pfeijffer, wat mij betreft het hoogtepunt van de afgelopen decennia. Samen met de Max Havelaar staat het nu onbedreigd bovenaan op mijn lijst met boeken die meegenomen dienen te worden naar het onbewoonde eiland. Dat eiland is niet het overbevolkte Java.

Java is het decor van een ander uitmuntend boek, Lichter dan ik van Dido Michielsen. Het speelt zich af in de negentiende eeuw. Haar debuutroman verhaalt over het leven van Isah, een inlandse vrouw die een relatie begint met een Hollandse officier en met hem twee dochters krijgt. Het klinkt als het begin van een mooi sprookje en zo ziet Isah het in haar naïviteit ook . Maar ze vergeet dat ze laag op de maatschappelijke ladder staat en dus nauwelijks rechten heeft in de klassenmaatschappij van het Nederlands-Indië van toen . Zij wordt weggestuurd als de officier op verlof naar Nederland gaat om zijn toekomstige bruid op te halen. Isahs dochters worden haar ook nog eens afgenomen; de twee meisjes krijgen in een pleeggezin een betere toekomst dan Isah ooit had. Zo verging het vele inlandse vrouwen. Isah was er eerder in het verhaal al voor gewaarschuwd.

Wat het boek interessant maakt is het vertelperspectief. Het verhaal wordt verteld door Isah en dus niet vanuit een Nederlandse of Indische invalshoek. Hierdoor wordt je als lezer nauwer betrokken bij de keuzes die Isah, of zulke vrouwen in het algemeen, moet maken en hoe zij de diverse vernederingen ondergaat. De superieure houding van de witte Nederlander en zijn laatdunkende ideeën over de autochtone bevolking worden nauwgezet opgetekend. Die inlanders moeten ons Nederlanders immers dankbaar zijn voor al het goede dat wij in de kolonie hebben gepresteerd, toch?

Lichter dan ik is niet bedoeld als aanklacht tegen de koloniale overheerser. Het schetst scherp het leven van de vrouwen die voor alle indo’s de oermoeder zijn. Want de lichtere kleur van de indo’s – of de donkerder kleur, het is net van welke kant je het bekijkt – vindt zijn oorsprong in het donkerbruin van de inheemse bevolking.

De geschiedenis van de inlandse vrouwen in relatie tot de witte Nederlander heeft Reggie Baay eerder uitvoerig vastgelegd in De njai: het concubinaat in Nederlands-Indië (2008). De scope van dit boek is ruimer, want het vertelt ook over het ontstaan van een koloniale samenleving in Nederlands-Indië, die sinds de opening van het Suezkanaal (1869) pas goed op gang kwam. Hij presenteerde zijn boek op de Pasar Malam Besar met een door hem zelf ingerichte tentoonstelling over de njai. Ik kocht daar zijn boek en vergat vervolgens dat ik dat deed.

Het toeval wil dat ik dit jaar geïnteresseerd raakte in de njai toen ik mijn overgrootmoeder herontdekte. Zij was immers van Molukse afkomst en dus mijn oermoeder. Ik vroeg mij af hoe zij en mijn overgrootvader elkaar ontmoetten (en keurig trouwden!) en hoe de onderlinge verhoudingen waren. Om daarover in die tijd meer te weten te komen moest ik dus De njai gaan lezen. In plaats van naar de boekenkast te lopen fietste ik naar de lokale boekhandel. Daar raakte ik in gesprek met een boekenverkoopster die eveneens van Indische afkomst is. Zij prees mij Lichter dan ik aan.

Beide boeken, De njai en Lichter dan ik, heb ik nu achter elkaar gelezen. Dat is dus puur toeval, maar daardoor kon ik ontdekken dat ze een unieke combinatie vormen die ik enthousiast aanbeveel. Ze zijn als een perfect huwelijk, waarin de partners op gelijke voet hun waardevolle bijdrage leveren.

Het Damegambiet

Anya Taylor-Joy als Beth Harmon in The Queen’s Gambit

Het was het jaar 1972. Boris Spasski en Robert Fischer begonnen in Reykjavik aan een match om de wereldtitel schaken. Rob en ik stonden tegelijkertijd in Den Haag aarzelend op de drempel van de grotemensenwereld. Die match in IJsland bleek precies het zetje te zijn dat wij nodig hadden om over die drempel te geraken. Natuurlijk zouden ook wij 24 partijen gaan spelen omdat wij ineens beseften topschakers te zijn! 

We waren aan elkaar gewaagd. Dat kon je zien aan onze onderlinge resultaten in de dam-, schaak- en strategocompetities die vriend en klasgenoot Hans in de weekeinden bij hem thuis organiseerde. We wisten heus wel dat onze leeftijdgenoten naar de discotheek gingen zoals werd verwacht van opgroeiende jongeren. Wij hadden echter serieuzere zaken aan ons hoofd. Dat was althans onze uitleg. In werkelijkheid hadden wij veel te veel gevoelens van onzekerheid om ons slagvaardig te kunnen begeven in een uitgaansleven met onbekende meisjes naar wie we weliswaar smachten maar voor wie wij tevens vrees hadden. Nee, ons testosteron lieten wij exploderen op de borden.

Verwijzingen in mijn geheugen naar onze tweekamp werden van het stof ontdaan tijdens het kijken naar The Queen’s Gambit. In deze populaire Netflix-serie worden de elementen van het spelen van schaak op hoog niveau, zoals Rob en ik die in onze beleving speelden, overtuigend in beeld gebracht. Van Morrisons live-album It’s Too Late To Stop Now fungeerde heel treffend als de soundtrack bij onze match die jaren duurde. De Netflix-serie wakkerde ook mijn interesse voor het spel weer aan.

Na de laatste aflevering van The Queens Gambit maakte ik een account op chess.com, neusde er wat rond en ontdekte computers van verschillende speelsterkte die uitdagend op mij wachtten. Ik koos voor Nelson en opende met d2-d4 in de hoop dat het rekenwonder zou kiezen voor het damegambiet. Nelson had andere plannen. Nelson maakte mij daarbij in korte tijd meedogenloos af. Toen ik enigszins hersteld was van deze oorwassing ging ik in alle nederigheid een tweede partij aan. Ik won tot mijn grote opluchting. Deze keer liet ik mij niet gek maken door Nelsons krankzinnig vroegtijdig geschuif met zijn dame. Twee partijen gespeeld, stand 1 – 1. Nu moest ik oppassen, besefte ik, want weer een match van 24 partijen lag op de loer. 

Tussen Nelson en Rob ligt een tijdspanne van bijna een halve eeuw. Door de boeiende Netflix-serie The Queen’s Gambit leek die tijd niet te bestaan.

Lopende zaken – PLAN_D

Fijne momenten zijn het, die keren dat je met een blanco geest en een onbevooroordeelde houding een album opzet en bij de eerste klanken (en woorden!) al verrast wordt door de sound van een band. Het is als een blind date die onverwacht goed uitpakt. Daar draagt ook de klankkleur van de liedjes die voorbij komen aan bij. Het is een verdienste van Da Goose Mastering, dat erin slaagde de liedjes qua sound mooi en samenhangend te laten uitkomen. Voor al het andere, niet alleen tekst en muziek, maar ook productie en mix, is PLAN_D zelf verantwoordelijk. PLAN_D is een nieuw muziekproject bestaande uit routiniers uit de contreien van Deventer.

Het is niet alleen de muziek die overtuigt. Ook de teksten zorgen voor een prima balans tussen muziek en tekst. Luister naar de eerste woorden

 “ik heb vaak geprobeerd mijn zorgen te verdrinken
maar ze zwemmen veel te goed”

en je weet dat de schrijver zich niet hoeft te schamen voor zijn werk. Hier is een ambachtsman bezig, iemand die vaardig is met taal. De woorden zijn van de hand van Bert Hermelink, die liedjes schrijven in een ver verleden al deed bij Toontje Lager (Stiekem gedanst). Ze worden gezongen door Kim Pol, wier stem bij de eerste kennismaking doet denken aan die van Maaike Ouboter. PLAN_D rockt echter meer. Deze muziek zal het meer dan in het theater goed doen op het poppodium. 

In de muziek zijn de hoofdrollen weggelegd voor het melodieuze toetsenwerk van Bert Hermelink en aangenaam klinkende gitaren. Reggy Langkun is de gitarist van de band, maar er doen op enkele nummers ook gastgitaristen mee. Met name de bijdragen van Tom Veltien op twee nummers zijn zeer de moeite waard. Het gezelschap, met Koos Lonis op bas, klinkt ervaren en goed ingespeeld. Toch gaat het hier om een debuut. De muzikanten beschikken echter over ruime ervaring in diverse muziekformaties met uiteenlopende stijlen. 

PLAN_D is een geslaagd muziekproject geworden dat hopelijk niet eenmalig een album uitbrengt.

15 augustus, de Indiëherdenking

Staartje van de brief dd 26 september 1947, verzonden vanuit paleis Het Loo

Een persoon die je nooit hebt gekend kun je onmogelijk missen. Toch lijkt generaties later de vroegtijdige dood van een lid nog als een litteken in een familie aanwezig te zijn. Er is ergens een leegte ontstaan die niet kan worden opgevuld. Desondanks probeert een onzichtbare kracht in een familie als een fluïdum het gat te herstellen.

Mijn vaders vader overleefde de Tweede Wereldoorlog niet. Hij stierf in Birma aan dysenterie, net als zijn zwager. Beiden hadden tijdens de Japanse bezetting gezamenlijk dezelfde weg afgelegd: geïnterneerd in een jappenkamp, getransporteerd naar Birma en vanuit die hel gereisd naar de hemel. 

Hun vrouwen – twee zussen – verbleven bij elkaar en met hun kinderen in diverse jappenkampen, nog onwetend over het lot van hun echtgenoten. Dat lot werd pas gaandeweg duidelijk toen op 15 augustus 1945 de oorlog was afgelopen en overlevenden hun familieleden begonnen te zoeken. De losse puzzelstukjes moesten weer op hun juiste plek komen te liggen. Maar in bijna elke familie bleken stukjes te ontbreken. Ook de twee zussen kwamen geleidelijk aan achter de gevreesde realiteit dat hun gezinnen niet meer compleet waren. Dat was een verschrikkelijke wetenschap in een land dat in een nieuwe oorlog was verwikkeld. Deze omstandigheden hielden voor mijn familie de vrijheid op 15 augustus 1945 in. 

Mijn oma ‘repatrieerde’ in 1946 als weduwe per boot met haar jongste vier kinderen. Sommige familieleden bleven tijdelijk of permanent in Indië achter. Een nieuwe puzzel was in de maak. Oma berustte in haar lot en stelde zich tevreden op, Nederland was immers haar nieuwe thuis. Punt. Haar kinderen verlieten stapsgewijs getrouwd het moederlijk huis. Iedereen bouwde in het nieuwe land een nieuw bestaan op.  

Toch bleef de oorlog soms op de achtergrond aanwezig in de vorm van nachtmerries, trauma’s en kampsyndromen. Onzichtbaar werd verdriet doorgegeven aan een volgende generatie. Er zat ergens pijn in de familie, ook al wist iedereen steeds minder goed waar dat vandaan kwam. De oorlog was immers al zo lang geleden. 

Op het moment dat ik vader werd, ontdekte ik ineens het stelsel van rollen die binnen een familie aanwezig zijn, zoals de rol van vader, zoon of grootvader. Ook zag ik dat die rollen een leereffect hebben, dat ze tot voorbeeld dienen voor een volgende generatie. Het werd mij toen duidelijk dat niet alleen personen maar ook hun rollen in onze familie werden gemist. Mijn vader heeft zijn vader nooit in de rol van opa kunnen meemaken, een opa kende ik niet. De dood van mijn grootvader veroorzaakte dus meer dan een fysiek gemis. 

Daar sta ik bij stil op 15 augustus.

De futloze maaier

Het handmaaiertje lag al een paar jaar werkloos in de berging te wachten op zijn lotsbestemming. De fut was eruit, het wilde niet meer opgeladen worden. Het apparaat weggooien, dat durfde ik nog niet aan. Het was immers een zomaarcadeau van mijn moeder, gekocht van haar eigen aow-centjes. Ze zag me namelijk een keer het kleine beetje gras in het kleine tuintje achter ons eerste huis met een schaar knippen. Elke andere persoon zou zij bij het zien van dit monnikenwerk keihard hebben uitgelachen, maar haar derde zoon wilde ze de hoon van anderen besparen. Het gaat hier dus niet om zomaar een machientje. 

Op een helder moment dacht ik ineens: zou er niet een batterij in zitten, eentje die je gewoon kunt verwisselen? Er zat namelijk een schroefje in zijn kont en dat kon allicht worden losgedraaid en misschien kon er dan een klepje open. 

Het bleek waar te zijn. Een laadruimte openbaarde zich waarin een accupack was gestopt. Het was een geel, chemisch pakketje dat met twee draadjes was verbonden met de motor. Die draadjes konden los. Met een beetje zoeken op internet bleek een nieuwe batterij gewoon te kunnen worden besteld! Ik moest na deze ontdekking met schrik terugdenken aan de kruimeldief die ik lang geleden wel had weggegooid in verband met oplaadmoeheid. Dat apparaat was misschien helemaal niet op, maar lag het werkweigeren aan een batterij die moest worden vervangen.

Ik dacht ook aan mijn vader, mijn niet altijd succesvol voorbeeld bij klusjes in huis. Zelf wisselde hij onhandigheid af met vernuftige oplossingen, die zo eigen zijn aan Indische mensen. Nooit wist je bij hem op welke manier een probleem zou worden opgelost. Zou hij wel in de accuval getrapt zijn en het apparaat hebben weggegooid? Heel waarschijnlijk niet, maar om een andere reden. 

Bij ons thuis werd namelijk niet snel iets weggegooid, mijn ouders hadden immers het jappenkamp meegemaakt. Zij waren jarenlang gedwongen om heel zuinig te doen met de schaarse spullen die ze het kamp in mee mochten nemen. Ook leerden zij er vindingrijk te zijn. 

Deze eigenschappen lijken doorgegeven te zijn aan de tweede generatie. En daarom had ik die handmaaier natuurlijk nog. Ik was bereid om hem desnoods met een verlengsnoer te gebruiken in de tuin. Maar dat hoeft nu niet meer.

Zojuist, inmiddels vele jaren en tuintjes verder, heb ik enkele randjes van ons nieuwe grasveld geschoren met de herboren handmaaier. Het geratel als dat van een naaimachine klonk vertrouwd in de oren, de grassprietjes zegen als mikadostokjes neer. 

Mijn ouders in de hemel keken misschien wel tevreden naar beneden. En heel misschien ook hoorde ik ze tussen het geratel door tegen elkaar zeggen: hebben we toch nog iets bereikt bij die jongen.

Tapijt met taart

Voor een laatste keer ging de ranke, bedaarde man ons huis binnen. Nu om afscheid te nemen van onze kinderen en om onze zoon in het bijzonder succes te wensen met het verdere verloop van zijn studie. Zonder opzet toonde hij daarmee een voorbeeld van aangeboren hoffelijkheid. 

Zijn bezoek aan ons duurde nog geen uur en in die korte tijd werden er diverse wetenswaardigheden uitgewisseld. Zo wist ik niet dat Isfahan ooit de hoofdstad van Perzië was. De naam kende ik alleen uit het gedicht over de dood en de tuinman, waarvan de naam van de dichter mij maar niet te binnen wilde schieten. We praatten over Iran, Perzië en de tentoonstelling in het Drents Museum eind 2018 Iran – Bakermat van de beschaving, een tentoonstelling die mij deed verwonderen over de verfijnde kunst en grenzeloze kunde van een volk vele eeuwen voor het begin van onze jaartelling. Maar vooral – en daar ging het om – had de visite een dankbaar succes opgeleverd voor zowel onze woonkamer als de omzet van zijn tapijtwinkel. 

Toen hij weer naar zijn eigen woonstee was vertrokken brachten wij, staande op het gloednieuwe Perzische tapijt, de ons geschonken taart ter discussie. Hadden we die misschien moeten weigeren? De zoon bracht in dat het in andere culturen vaak een uiting van beleefdheid was om een cadeau aan te bieden, waarbij het tevens een kwestie van fatsoen was om het geschenk te weigeren.Een ritueel waarmee wij berekenende Hollanders niet vertrouwd zijn. Ik zag de gift van de taart niet als een beleefdheidsuiting, maar vond het vooral een vriendelijk gebaar ter afsluiting van een prettig verlopen transactie. Hij ging immers speciaal terug naar zijn auto voor de taart om hem aan ons te kunnen geven. 

Hij kwam deze zaterdagmiddag na sluitingstijd van zijn winkel nog even de door ons geselecteerde tapijten in onze woonkamer schikken. Hij kwam in een huiselijke sfeer terecht die hij mogelijk als prettig ervaarde. De jongste dochter was net op tijd thuisgekomen om mede de moeilijke keuze te bepalen. De zoon was in de keuken bezig ons avondmaal te bereiden. Er werd gepraat over zijn studie, de man toonde serieuze interesse. Hij hielp bij het bepalen van onze keuze, niet door zijn voorkeur op te dringen, maar om onze argumenten te steunen als die overeen kwamen met zijn beeld van harmonie. Of juist te zwijgen als hij dacht dat wij een naar zijn bescheiden mening verkeerde weg insloegen. Toen de keuze bepaald was en de koop gesloten bood hij ook nog eens korting aan, hiermee de rollen van koper en verkoper omdraaiend. Hadden we de korting misschien ook moeten weigeren? Of hadden we daarentegen een hoger bedrag moeten bieden? Wanneer verschillende culturen elkaar ontmoeten is het algauw nauwkeurig draaien aan de knoppen om de juiste frequentie te vinden.

Ik vermoed dat de sfeer in totaliteit in ons huis bij hem een snaar raakte. Onze prettige interactie zou ook een rol gespeeld kunnen hebben. Misschien bracht het herinneringen boven aan familie of vrienden in Iran, een land dat hij mogelijk heeft moeten ontvluchten. Hoe dan ook, het nieuwe tapijt ligt werkelijk heel mooi op onze marmeren vloer, vorstelijk zelfs. Het was een perfecte zaterdag, die met een heerlijke taart feestelijk werd afgesloten.

De Liefde is de Eerste Wet – Broeder Dieleman

Als ik aan Broeder Dieleman denk, zie ik onder mijn hersenpan verschijnen een ranke Zeeuw die op blote voeten door kreken waadt of op klompen over polderpaden struint om het contact met streekgenoten te zoeken. Hij vindt ze en luistert vervolgens geboeid naar hun verhalen over zonderlinge schepsels of het werken op de akker in de vette klei. Ik zie een artiest in mijn gedachten die het wisselen der getijden begeleidt op zijn banjo, als hij toevallig eens geen patronen knipt uit gekleurd knutselpapier, zoals Jan de Prenteknipper dat placht te doen en aan wiens knipsels de albumtitel schatplichtig is. Dergelijke romantische gedachten heb ik bij deze man, die liedjes schrijft met als inspiratiebron zijn geboortegrond. Toegegeven, er is bij mij sprake van broederliefde, ik ben een bewonderaar. In het echte leven zal hij ongetwijfeld onuitstaanbare momenten hebben, schulden maken en sombere periodes kennen. Net als wij is hij misschien een onromantisch kantoormens, die elke dag zijn boekhoudkunsten verricht voor een hogere baas en ‘s avonds bij een kop koffie naar het journaal van acht uur kijkt. 

Op zijn nieuwe album De Liefde is de Eerste Wet komen in dertien liedjes beide versies van broeder Dieleman voorbij. De liedjes van Dieleman versie 1 zijn sfeervolle schetsen met mooie teksten over riet dat wuift en boten die je naar de overkant brengen. Het zijn liedjes die je op grond van jarenlange broederopvoeding kunt verwachten. Bij Dieleman versie 2 hoort een aantal persoonlijke, althans daar ga ik vanuit, liedjes. Wat kun je anders denken bij een titel als Driftig mens? Dat lied zal niet over zijn vrouw gaan. Er komen wel meer autobiografische flarden tekst voorbij. Het zijn allemaal liedjes die beschrijven en vertellen en – zo je wilt – aanzetten tot nadenken. Prima werk wederom, deze dozijn plus een liedjes, op zijn minst een continuering van het hoge peil van zijn werk. Maar misschien heeft broeder Dieleman de lat toch weer een stukje hoger gelegd. 

Het album klinkt zonder opsmuk. Luister naar Janine van Osta. Zij zingt zonder franje. Alle registers opentrekken, dat is iets voor de showprogramma’s, talentenjachten, voices of enz. Dit is haar stem, schoon aan de haak. Zoals een pond precies 5 ons weegt, geen grammetje meer maar ook niet minder. Het geldt ook voor de muziekinstrumenten. Ze klinken zoals ze moeten klinken, zonder  effectbejag, kaal in een gunstige betekenis. Hierin merk je de hand van – denk ik – Pim van de Werken, die altijd een specifiek broeder Dielemangeluid weet te bereiken. Zo sober als Jakobsladder klinkt, met alleen die banjo, bas en drums, dat volstaat! Op sommige liedjes ontstaat een americanasound, ook al is zo’n omschrijving vaag en is de muziek van broeder Dieleman moeilijk in een genre te plaatsen. Echter in alle gevallen zijn de liedjes puik.

Broeder Dieleman heeft het weer helemaal voor elkaar met dit fonkelnieuw album, waar iemand met smaak, ook al is het slechts een ietsiepietsie, niet omheen kan. Dus.

De trotse Molukker in mij

Giovanni van Bronckhorst tijdens het WK2010 (foto van de website van RTV Rijnmond)

Gepalaver over de al dan niet mislukte multiculturele samenleving is aan mij niet besteed. De gemixte samenleving is van alle tijden. Daarin probleemloos met anderen verkeren heeft vooral te maken met goede omgangsvormen en jezelf openstellen voor anderen. Als je een botte Hollander bent, zul je altijd blijven botsen met anderen. Daartegenover staat dat iemand nooit met anderen kan botsen als die zich verschuilt in eigen etnische kring. Kom naar buiten, verkeer met elkaar en gedraag je normaal.

Ik ben een Indo, er stroomt gemengd bloed door mijn aderen. Die vloeistof is een mix van Europees en inlands bloed. Inlands van inlander, in de betekenis van oorspronkelijke inwoner van Nederlands-Indië, het groene eilandenrijk dat nu Indonesië heet.

Op mengbloedjes wordt neergekeken. Marion Bloem legt wat dat betreft het trapjesdenken in haar nieuwe boek Indo haarfijn uit. Daarnaast fluistert men in extreemrechtse kringen wel eens met luide stem over een zuiver ras, ook dat nog. Maar door de aderen van Wilders en Baudet stroomt wel degelijk inlands bloed. Neerkijken of opkijken, ik kijk liever verder. 

Zo wil ik momenteel weten, vroeger interesseerde het mij niet zo, wat voor bloed nu precies door mijn aderen stroomt. Nu, dat ‘precies’ kan ik wel vergeten. Want de ouders van mijn moeder zijn ook beiden Indo en om verder terug in haar stamboom te kunnen gaan heb ik te weinig informatie. 

Over mijn vaders kant weet ik wel wat af. Zijn vader, mijn opa dus, was een zuivere Hollander, een Batavier zegt Alfred Birney. Die kant is duidelijk afgebakend en kent geen verrassingen. Zijn moederskant is exotischer. De ouders van zijn moeder vormden een bijzonder verbond tussen een Duitser en een Molukse.

Die Molukse vrouw komt van Saparua, een eiland van de Molukken. Zij was een sterke persoonlijkheid en een goed voorbeeld van het succes van de missie, want het protestants-christelijk geloof speelde een grote rol in haar leven. De Bijbel vergezelde haar op haar levensweg, die voerde van Saparua naar Padang Panjang op Sumatra, de bakermat van mijn familie in feite, en daarna naar Bandung op Java. Deze Molukse trouwde met een Duitser die een of andere functie vervulde op het treinstation van Padang Panjang. Hun trouwdatum, waarover in de familie geheimzinnig werd gedaan alsof er iets te verbergen viel, zou ergens in 1916 liggen. Dit is interessant, want als dat waar is, zou dat – o schande – betekenen dat het huwelijk voltrokken werd nadat alle acht kinderen waren geboren. Dan had deze vrouw dus lange tijd de status van njai. 

Ook op zulke vrouwen werd in die tijd neergekeken. Dat neerkijken kon op grote schaal plaatsvinden, want de njai stond op de laagste tree van de sociale trap. Maar ja, de Europeaanse mannen, die zonder vrouw naar de Oost vertrokken, moesten toch op de een of andere manier hun hormonaal gestuwde energie kwijt zien te raken. Daarin werd in de regel door een inlandse vrouw voorzien. Zij sliep op een matje naast de tuan basar en baarde zijn al dan niet bedoeldnageslacht. Het kwam wel voor hoor, dat vrouw en kinderen erkend werden en dat er werd getrouwd. Hoe het nu precies zat tussen mijn overgrootvader en overgrootmoeder weet ik echter niet, ik heb ze niet gekend. Het kan natuurlijk best liefde op het eerste gezicht zijn geweest. Maar het lijkt erop dat ze lange tijd in concubinaat leefden. De waardering voor de njai is nu overigens de goede kant op aan het kantelen. Zij wordt gezien als de oermoeder van de Indo’s. Mijn overgrootmoeder is, zo bezien, de oermoeder van mijn familie.

Tijdens het WK voetballen van 2010 scoorde Giovanni van Bronckhorst in de halve finale een bloedmooi en o zo belangrijk doelpunt. Nu begrijp ik dat ik op dat moment zo vervuld van trots was. Ik heb immers 12,5% Moluks bloed door mijn aderen stromen. Giovanni en ik zijn bloedbroeders!

Mischa Porte, drummer

“Hout resoneert meer met de ketel”

foto’s: Victor van der Griendt, www.mcklin.nl

Drie maal in een maand tijd zag ik hem drummen. Dat vond ik al bijzonder. Maar ook dat hij met zo veel plezier speelde en enthousiast meezong. Dus speurde ik het internet af om uit te pluizen wie toch die drummer was die in alle bands leek mee te spelen. Wie was die man die met zijn brushes muzikale accenten legde en die als een meesterschilder met goed geplaatste penseelstreken de finishing touch aanbracht op het paneel geschilderd door zijn collega’s? Ik speurde en kwam tot de ontdekking dat hij zelfs in mijn huis aanwezig was, op het prachtige debuutalbum Through My Eyes van Mariecke Borger. Toeval? Aanleiding om de man achter de Slingerland Rolling Bomber te leren kennen!
Als je praat met Mischa Porte gaat het al gauw over spanblokken, spanranden, lugs en de Rolling Bomber. Maar vooral over de muziek die hij maakt met anderen, zoals recentelijk met Marten de Paepe en met Wooden Saints. Met de laatsten staat hij in januari 2014 op Noorderslag.

“Met Wooden Saints speel ik sinds kort mee. Na de opnames van You Were The One Who Volunteered stapte Julian du Perron uit de band en belde Viktor van Woudenberg mij op om te vragen de drumkruk over te nemen.
Wooden Saints is een erg bijzondere club. Naast de mooie liedjes staan we met zijn tienen op het podium. Dat maakt het leuk om naar te kijken, omdat er altijd ergens wel iets gebeurt. Maar de daadwerkelijke kracht zit ‘m denk ik in het feit dat we met zijn tienen de liedjes erg goed kunnen brengen. Alle betrokken muzikanten zijn zich bewust van de anderen, luisteren continu naar wat er om hen heen gebeurt en anticiperen daar ook op. Het is dus een groot geluid, zonder dat er veel wordt gespeeld.
Ik denk dat Noorderslag erg belangrijk wordt. Wat we merken met het nieuwe album en de reacties om ons heen, ook van collega’s, is dat er wel een soort buzz gaande is. Nu gebeurt dat wel vaker bij bands, maar het blijft altijd afwachten of dat uiteindelijk ook uitkomt. Noorderslag kan een doorslaggevend moment zijn. Als je daar goed speelt en de juiste mensen komen kijken, heeft dat enorme gevolgen voor de boekingen in het jaar daarop.”

Mariecke en de andere Borgers
“Het spelen met Mariecke is, net als met de rest van de familie Borger, erg fijn. Ik ken ze allemaal al lang. Op de middelbare school in Ermelo kwam ik bij Jesse in de klas en speelden we samen in de schoolband. Ik herinner me nog hoe het was om de eerste paar keren bij ze thuis te komen. Ik was enorm onder de indruk van hun muzikaliteit. Het was een tweede natuur voor ze, en dat is het nog altijd.
Johan heeft lang zelf gedrumd, ook op de eerste opnames van Johan en Mariecke. Toen ze het live wilden gaan uitvoeren ontstond er het drummerprobleem, Johan moest immers zingen en gitaar spelen. Ze hebben mij toen gevraagd om mee te spelen. Dat was toen ik een jaar of 14 was.
Johan is ook degene die mij voor het eerst brushes in mijn handen drukte. Dat heeft enorm veel betekend voor het verloop van mijn drummersbestaan. Net als bij Marten de Paepe vergroeide ik met de familie. We hadden onze eigen muzikale vriendenkring, dus daar speelden we dan ook alles mee.
De sfeer tijdens de opnames van Marieckes album was daardoor erg ontspannen. Geen spannend studiogedoe, maar met zijn vijven in de voor ons zo bekende huiskamer. We kenden elkaar goed, hadden al veel gespeeld en hoefden dat alleen nog maar vast te leggen op plaat. Ik kan niet wachten op de volgende.”

René van Barneveld
“René leerde ik kennen als docent op het conservatorium. Op een goed moment werd hij gevraagd om wat te spelen op het Guitar Matrix festival in Amsterdam. Hij was ook al gevraagd om met Sjako! daar te spelen en moest dus iets anders bedenken. Hij heeft mij toen gebeld en legde zijn ideeën uit. Ik voelde me uiteraard vereerd.
We hebben een paar keer wat doorgenomen in de oefenruimte. Inmiddels hebben we vier maal live gespeeld. Het meeste materiaal is gebaseerd op thema’s van o.a. Ry Cooder, waar we ons doorheen improviseren. Dat is altijd spannend, omdat we zelf van tevoren ook niet weten wat we gaan spelen. We moeten elkaar dus continu uitdagen om het interessant te houden voor het publiek en onszelf.
Na het Guitar Matrix festival vroeg Jack Pisters ons om ook te komen spelen tijdens het Amsterdam Electric Guitar Heaven, een gitaarfestival van een week lang in Amsterdam. Ter promotie daarvan zijn we toen bij Vrije Geluiden. De respons daarop was enorm. Ik krijg nog vaak reacties op dat optreden.”

Het verhaal in het liedje
“Ik ga er bij het spelen van muziek van uit dat de schrijver en/of zanger iets wil overbrengen. Dat kan van alles zijn: een ervaring, een vraagstuk. Jan Borger benoemt het mooi met met woord urgentie. Veel liedjes ontstaan vanuit een urgentie; iemand moet iets kwijt. Zolang die urgentie er is, al gaat het over een boterham met kaas die iets bij je losmaakt, heb je de basis voor een goed verhaal en een goed liedje.
Mijn taak is om die urgentie ten eerste te begrijpen en vervolgens te ondersteunen of versterken.
Enkele van mijn favorieten van de afgelopen jaren, waar ik op mee mocht spelen zijn Mariecke Borgers Don’t be Afraid, Johan Borgers Only Telling What I Know, Front Door van Yori Swart en Marten de Paepes Off the Pedestal.”

Het begin: een Afrikaanse trommelclub
“Ik ben thuis niet bijzonder muzikaal opgevoed. Mijn moeder heeft in het verleden piano en gitaar gespeeld. Dat was op hobbyniveau en dat deed ze volgens mij niet meer toen ik geboren werd. Mijn vader heeft nooit een instrument bespeeld, maar was wel een groot liefhebber van muziek. Hij was grafisch vormgever en had dus wel een creatieve, eigenzinnige geest. Hij heeft me van jongs af aan veel naar concerten van Jan Akkerman meegenomen. Mijn eerste keer toen ik een jaar of zes was. Dat vond ik fantastisch! Verder kwam er veel Kula Shaker, BJ’s Pawnshop, The Black Crowes, Skik en Suede langs. Het zat allemaal in de iets hardere gitaarhoek dus. Het was dan ook niet gek dat ik in mijn puberteit een stapje verder ging richting metal. Mijn eerste bandje was dan ook een metalbandje.
Mijn ouders hebben me altijd enorm gestimuleerd.
Wat erg belangrijk is geweest is dat mijn moeder rond mijn zesde levensjaar aan me vroeg of ik bij een Afrikaanse trommelclub wilde in Ermelo. Daar heb ik tot mijn vijftiende meegespeeld en dat is enorm belangrijk geweest voor mijn muzikale ontwikkeling.
Toen ik richting het eind van mijn middelbare schooltijd bedacht dat ik naar het conservatorium wilde, hebben mijn ouders me vanaf het begin geholpen en gestimuleerd. Mijn vader was altijd erg trots, net als mijn moeder. Dat vind ik te gek!”

De grote voorbeelden
“Er zijn veel drummers waardoor ik geïnspireerd ben, maar twee springen er voor mij uit. Dat zijn Jay Bellerose en Brian Blade.
Jay Bellerose is o.a. bekend van zijn werk met Ray LaMontagne en veel producties van T-Bone Burnett en Joe Henry.
Brian Blade is o.a. bekend van zijn werk met Wayne Shorter, Emmylou Harris, Joni Mitchell en de Canadese producer Daniel Lanois. Ik heb nog nooit iemand gezien die zo impulsief en dynamisch speelt als hij. Werkelijk elke noot komt uit zijn tenen.”

De Slingerland Rolling Bomber

“Mijn eerste kennismaking met de Rolling Bomber was in 2008. Ik was bij een concert van Ray LaMontagne in de Melkweg. Jay Bellerose speelde met hem mee op zo’n Rolling Bomber. Ik had nog nooit zoiets gehoord. Ik kon bijna niet geloven dat de klank van de drums die ik hoorde daar live ontstond. Het was een fantastisch concert, met als gevolg dat ik ook zo’n set moest hebben. Ik wilde die klank tot m’n beschikking hebben!
Bijna twee jaar lang heb ik gezocht naar een Bomber. Uiteindelijk vond ik een man in Canada die er een te koop had. Ik werd gek toen ik het zag en heb hem gelijk gemaild!
Het speciale aan de Rolling Bomber is dat de spanblokken en spanranden van hout zijn gemaakt. Het ontstaan van deze houten hardware heeft te maken met de Tweede Wereldoorlog. Tussen 1942 en 1945 was er een beperking vanuit de Amerikaanse overheid op de hoeveelheid metaal die gebruikt mocht worden voor de productie van o.a. muziekinstrumenten. Als gevolg hiervan moesten Slingerland en andere drumfabrikanten hun product aanpassen. Slingerland besloot om de lugs en spanranden van hout te gaan maken.
Dit heeft een grote invloed op de klank. Hout is minder hard en stug dan metaal en resoneert daardoor meer met de ketel. Het gevolg is een warmere klank, met meer activiteit in het mid en laag. In mei 1945 werd de beperking door de overheid weer opgeheven en is Slingerland weer overgestapt op metalen hardware.
De spanblokken en randen werden, net als de ketels, compleet met de hand gemaakt. Het ijzer konden ze gieten, maar alle spanblokken zijn met de hand geschaafd.
Inmiddels ben ik alweer twee jaar de trotse eigenaar en heeft die set enorme invloed gehad op mijn spel en carrière. De bijzondere klankeigenschappen doen je anders spelen. Je moet, vergeleken met het spelen op andere drumsets, anders slaan op de trommels om een mooie klank te produceren. Het is dus compleet tweerichtingsverkeer: het drumstel werkt voor mij, maar ik moet ook werken voor het drumstel. Het is dus meer dan een potje trommelen wanneer ik op mijn Bomber speel, het is een uitdaging om het drumstel zo mooi mogelijk te laten klinken. Je kan wel spreken van een beetje liefde.”

Favorieten
“Ray LaMontagne staat erg hoog op mijn lijst. Net als Ryan Adams. Misschien nog wel belangrijker voor mij is Daniel Lanois, zowel het door hem geproduceerde werk als zijn solo-albums. Verder luister ik veel naar The Band, Joe Henry, Gillian Welch en veel door T-Bone Burnett geproduceerde albums. Misschien is mijn favoriete album wel Raising Sand van Robert Plant & Alison Krauss.
Momenteel luister ik veel naar Patty Griffins American Kid en Buddy Millers Majestic Silver Strings. Die komen allebei wel een paar keer per week voorbij.”

Beroepsmuzikant
“Ik kan inmiddels leven van mijn bestaan als drummer. Zoals in elk werkveld, kost het jaren van investeren om iets moois op te bouwen. Een mooi leven blijft belangrijker dan een mooie bankrekening, maar het zou waanzinnig zijn als ik uiteindelijk een paar kinderen kan voeden met m’n drummen. Maar gelukkig hoef ik me daar nu nog niet druk om te maken.”

www.mischaporte.com

Dit interview is eerder (4 december 2013) op Ingeplugd.nl gepubliceerd.