De Liefde is de Eerste Wet – Broeder Dieleman

Als ik aan Broeder Dieleman denk, zie ik onder mijn hersenpan verschijnen een ranke Zeeuw die op blote voeten door kreken waadt of op klompen over polderpaden struint om het contact met streekgenoten te zoeken. Hij vindt ze en luistert vervolgens geboeid naar hun verhalen over zonderlinge schepsels of het werken op de akker in de vette klei. Ik zie een artiest in mijn gedachten die het wisselen der getijden begeleidt op zijn banjo, als hij toevallig eens geen patronen knipt uit gekleurd knutselpapier, zoals Jan de Prenteknipper dat placht te doen en aan wiens knipsels de albumtitel schatplichtig is. Dergelijke romantische gedachten heb ik bij deze man, die liedjes schrijft met als inspiratiebron zijn geboortegrond. Toegegeven, er is bij mij sprake van broederliefde, ik ben een bewonderaar. In het echte leven zal hij ongetwijfeld onuitstaanbare momenten hebben, schulden maken en sombere periodes kennen. Net als wij is hij misschien een onromantisch kantoormens, die elke dag zijn boekhoudkunsten verricht voor een hogere baas en ‘s avonds bij een kop koffie naar het journaal van acht uur kijkt. 

Op zijn nieuwe album De Liefde is de Eerste Wet komen in dertien liedjes beide versies van broeder Dieleman voorbij. De liedjes van Dieleman versie 1 zijn sfeervolle schetsen met mooie teksten over riet dat wuift en boten die je naar de overkant brengen. Het zijn liedjes die je op grond van jarenlange broederopvoeding kunt verwachten. Bij Dieleman versie 2 hoort een aantal persoonlijke, althans daar ga ik vanuit, liedjes. Wat kun je anders denken bij een titel als Driftig mens? Dat lied zal niet over zijn vrouw gaan. Er komen wel meer autobiografische flarden tekst voorbij. Het zijn allemaal liedjes die beschrijven en vertellen en – zo je wilt – aanzetten tot nadenken. Prima werk wederom, deze dozijn plus een liedjes, op zijn minst een continuering van het hoge peil van zijn werk. Maar misschien heeft broeder Dieleman de lat toch weer een stukje hoger gelegd. 

Het album klinkt zonder opsmuk. Luister naar Janine van Osta. Zij zingt zonder franje. Alle registers opentrekken, dat is iets voor de showprogramma’s, talentenjachten, voices of enz. Dit is haar stem, schoon aan de haak. Zoals een pond precies 5 ons weegt, geen grammetje meer maar ook niet minder. Het geldt ook voor de muziekinstrumenten. Ze klinken zoals ze moeten klinken, zonder  effectbejag, kaal in een gunstige betekenis. Hierin merk je de hand van – denk ik – Pim van de Werken, die altijd een specifiek broeder Dielemangeluid weet te bereiken. Zo sober als Jakobsladder klinkt, met alleen die banjo, bas en drums, dat volstaat! Op sommige liedjes ontstaat een americanasound, ook al is zo’n omschrijving vaag en is de muziek van broeder Dieleman moeilijk in een genre te plaatsen. Echter in alle gevallen zijn de liedjes puik.

Broeder Dieleman heeft het weer helemaal voor elkaar met dit fonkelnieuw album, waar iemand met smaak, ook al is het slechts een ietsiepietsie, niet omheen kan. Dus.

De trotse Molukker in mij

Giovanni van Bronckhorst tijdens het WK2010 (foto van de website van RTV Rijnmond)

Gepalaver over de al dan niet mislukte multiculturele samenleving is aan mij niet besteed. De gemixte samenleving is van alle tijden. Daarin probleemloos met anderen verkeren heeft vooral te maken met goede omgangsvormen en jezelf openstellen voor anderen. Als je een botte Hollander bent, zul je altijd blijven botsen met anderen. Daartegenover staat dat iemand nooit met anderen kan botsen als die zich verschuilt in eigen etnische kring. Kom naar buiten, verkeer met elkaar en gedraag je normaal.

Ik ben een Indo, er stroomt gemengd bloed door mijn aderen. Die vloeistof is een mix van Europees en inlands bloed. Inlands van inlander, in de betekenis van oorspronkelijke inwoner van Nederlands-Indië, het groene eilandenrijk dat nu Indonesië heet.

Op mengbloedjes wordt neergekeken. Marion Bloem legt wat dat betreft het trapjesdenken in haar nieuwe boek Indo haarfijn uit. Daarnaast fluistert men in extreemrechtse kringen wel eens met luide stem over een zuiver ras, ook dat nog. Maar door de aderen van Wilders en Baudet stroomt wel degelijk inlands bloed. Neerkijken of opkijken, ik kijk liever verder. 

Zo wil ik momenteel weten, vroeger interesseerde het mij niet zo, wat voor bloed nu precies door mijn aderen stroomt. Nu, dat ‘precies’ kan ik wel vergeten. Want de ouders van mijn moeder zijn ook beiden Indo en om verder terug in haar stamboom te kunnen gaan heb ik te weinig informatie. 

Over mijn vaders kant weet ik wel wat af. Zijn vader, mijn opa dus, was een zuivere Hollander, een Batavier zegt Alfred Birney. Die kant is duidelijk afgebakend en kent geen verrassingen. Zijn moederskant is exotischer. De ouders van zijn moeder vormden een bijzonder verbond tussen een Duitser en een Molukse.

Die Molukse vrouw komt van Saparua, een eiland van de Molukken. Zij was een sterke persoonlijkheid en een goed voorbeeld van het succes van de missie, want het protestants-christelijk geloof speelde een grote rol in haar leven. De Bijbel vergezelde haar op haar levensweg, die voerde van Saparua naar Padang Panjang op Sumatra, de bakermat van mijn familie in feite, en daarna naar Bandung op Java. Deze Molukse trouwde met een Duitser die een of andere functie vervulde op het treinstation van Padang Panjang. Hun trouwdatum, waarover in de familie geheimzinnig werd gedaan alsof er iets te verbergen viel, zou ergens in 1916 liggen. Dit is interessant, want als dat waar is, zou dat – o schande – betekenen dat het huwelijk voltrokken werd nadat alle acht kinderen waren geboren. Dan had deze vrouw dus lange tijd de status van njai. 

Ook op zulke vrouwen werd in die tijd neergekeken. Dat neerkijken kon op grote schaal plaatsvinden, want de njai stond op de laagste tree van de sociale trap. Maar ja, de Europeaanse mannen, die zonder vrouw naar de Oost vertrokken, moesten toch op de een of andere manier hun hormonaal gestuwde energie kwijt zien te raken. Daarin werd in de regel door een inlandse vrouw voorzien. Zij sliep op een matje naast de tuan basar en baarde zijn al dan niet bedoeldnageslacht. Het kwam wel voor hoor, dat vrouw en kinderen erkend werden en dat er werd getrouwd. Hoe het nu precies zat tussen mijn overgrootvader en overgrootmoeder weet ik echter niet, ik heb ze niet gekend. Het kan natuurlijk best liefde op het eerste gezicht zijn geweest. Maar het lijkt erop dat ze lange tijd in concubinaat leefden. De waardering voor de njai is nu overigens de goede kant op aan het kantelen. Zij wordt gezien als de oermoeder van de Indo’s. Mijn overgrootmoeder is, zo bezien, de oermoeder van mijn familie.

Tijdens het WK voetballen van 2010 scoorde Giovanni van Bronckhorst in de halve finale een bloedmooi en o zo belangrijk doelpunt. Nu begrijp ik dat ik op dat moment zo vervuld van trots was. Ik heb immers 12,5% Moluks bloed door mijn aderen stromen. Giovanni en ik zijn bloedbroeders!

Mischa Porte, drummer

“Hout resoneert meer met de ketel”

foto’s: Victor van der Griendt, www.mcklin.nl

Drie maal in een maand tijd zag ik hem drummen. Dat vond ik al bijzonder. Maar ook dat hij met zo veel plezier speelde en enthousiast meezong. Dus speurde ik het internet af om uit te pluizen wie toch die drummer was die in alle bands leek mee te spelen. Wie was die man die met zijn brushes muzikale accenten legde en die als een meesterschilder met goed geplaatste penseelstreken de finishing touch aanbracht op het paneel geschilderd door zijn collega’s? Ik speurde en kwam tot de ontdekking dat hij zelfs in mijn huis aanwezig was, op het prachtige debuutalbum Through My Eyes van Mariecke Borger. Toeval? Aanleiding om de man achter de Slingerland Rolling Bomber te leren kennen!
Als je praat met Mischa Porte gaat het al gauw over spanblokken, spanranden, lugs en de Rolling Bomber. Maar vooral over de muziek die hij maakt met anderen, zoals recentelijk met Marten de Paepe en met Wooden Saints. Met de laatsten staat hij in januari 2014 op Noorderslag.

“Met Wooden Saints speel ik sinds kort mee. Na de opnames van You Were The One Who Volunteered stapte Julian du Perron uit de band en belde Viktor van Woudenberg mij op om te vragen de drumkruk over te nemen.
Wooden Saints is een erg bijzondere club. Naast de mooie liedjes staan we met zijn tienen op het podium. Dat maakt het leuk om naar te kijken, omdat er altijd ergens wel iets gebeurt. Maar de daadwerkelijke kracht zit ‘m denk ik in het feit dat we met zijn tienen de liedjes erg goed kunnen brengen. Alle betrokken muzikanten zijn zich bewust van de anderen, luisteren continu naar wat er om hen heen gebeurt en anticiperen daar ook op. Het is dus een groot geluid, zonder dat er veel wordt gespeeld.
Ik denk dat Noorderslag erg belangrijk wordt. Wat we merken met het nieuwe album en de reacties om ons heen, ook van collega’s, is dat er wel een soort buzz gaande is. Nu gebeurt dat wel vaker bij bands, maar het blijft altijd afwachten of dat uiteindelijk ook uitkomt. Noorderslag kan een doorslaggevend moment zijn. Als je daar goed speelt en de juiste mensen komen kijken, heeft dat enorme gevolgen voor de boekingen in het jaar daarop.”

Mariecke en de andere Borgers
“Het spelen met Mariecke is, net als met de rest van de familie Borger, erg fijn. Ik ken ze allemaal al lang. Op de middelbare school in Ermelo kwam ik bij Jesse in de klas en speelden we samen in de schoolband. Ik herinner me nog hoe het was om de eerste paar keren bij ze thuis te komen. Ik was enorm onder de indruk van hun muzikaliteit. Het was een tweede natuur voor ze, en dat is het nog altijd.
Johan heeft lang zelf gedrumd, ook op de eerste opnames van Johan en Mariecke. Toen ze het live wilden gaan uitvoeren ontstond er het drummerprobleem, Johan moest immers zingen en gitaar spelen. Ze hebben mij toen gevraagd om mee te spelen. Dat was toen ik een jaar of 14 was.
Johan is ook degene die mij voor het eerst brushes in mijn handen drukte. Dat heeft enorm veel betekend voor het verloop van mijn drummersbestaan. Net als bij Marten de Paepe vergroeide ik met de familie. We hadden onze eigen muzikale vriendenkring, dus daar speelden we dan ook alles mee.
De sfeer tijdens de opnames van Marieckes album was daardoor erg ontspannen. Geen spannend studiogedoe, maar met zijn vijven in de voor ons zo bekende huiskamer. We kenden elkaar goed, hadden al veel gespeeld en hoefden dat alleen nog maar vast te leggen op plaat. Ik kan niet wachten op de volgende.”

René van Barneveld
“René leerde ik kennen als docent op het conservatorium. Op een goed moment werd hij gevraagd om wat te spelen op het Guitar Matrix festival in Amsterdam. Hij was ook al gevraagd om met Sjako! daar te spelen en moest dus iets anders bedenken. Hij heeft mij toen gebeld en legde zijn ideeën uit. Ik voelde me uiteraard vereerd.
We hebben een paar keer wat doorgenomen in de oefenruimte. Inmiddels hebben we vier maal live gespeeld. Het meeste materiaal is gebaseerd op thema’s van o.a. Ry Cooder, waar we ons doorheen improviseren. Dat is altijd spannend, omdat we zelf van tevoren ook niet weten wat we gaan spelen. We moeten elkaar dus continu uitdagen om het interessant te houden voor het publiek en onszelf.
Na het Guitar Matrix festival vroeg Jack Pisters ons om ook te komen spelen tijdens het Amsterdam Electric Guitar Heaven, een gitaarfestival van een week lang in Amsterdam. Ter promotie daarvan zijn we toen bij Vrije Geluiden. De respons daarop was enorm. Ik krijg nog vaak reacties op dat optreden.”

Het verhaal in het liedje
“Ik ga er bij het spelen van muziek van uit dat de schrijver en/of zanger iets wil overbrengen. Dat kan van alles zijn: een ervaring, een vraagstuk. Jan Borger benoemt het mooi met met woord urgentie. Veel liedjes ontstaan vanuit een urgentie; iemand moet iets kwijt. Zolang die urgentie er is, al gaat het over een boterham met kaas die iets bij je losmaakt, heb je de basis voor een goed verhaal en een goed liedje.
Mijn taak is om die urgentie ten eerste te begrijpen en vervolgens te ondersteunen of versterken.
Enkele van mijn favorieten van de afgelopen jaren, waar ik op mee mocht spelen zijn Mariecke Borgers Don’t be Afraid, Johan Borgers Only Telling What I Know, Front Door van Yori Swart en Marten de Paepes Off the Pedestal.”

Het begin: een Afrikaanse trommelclub
“Ik ben thuis niet bijzonder muzikaal opgevoed. Mijn moeder heeft in het verleden piano en gitaar gespeeld. Dat was op hobbyniveau en dat deed ze volgens mij niet meer toen ik geboren werd. Mijn vader heeft nooit een instrument bespeeld, maar was wel een groot liefhebber van muziek. Hij was grafisch vormgever en had dus wel een creatieve, eigenzinnige geest. Hij heeft me van jongs af aan veel naar concerten van Jan Akkerman meegenomen. Mijn eerste keer toen ik een jaar of zes was. Dat vond ik fantastisch! Verder kwam er veel Kula Shaker, BJ’s Pawnshop, The Black Crowes, Skik en Suede langs. Het zat allemaal in de iets hardere gitaarhoek dus. Het was dan ook niet gek dat ik in mijn puberteit een stapje verder ging richting metal. Mijn eerste bandje was dan ook een metalbandje.
Mijn ouders hebben me altijd enorm gestimuleerd.
Wat erg belangrijk is geweest is dat mijn moeder rond mijn zesde levensjaar aan me vroeg of ik bij een Afrikaanse trommelclub wilde in Ermelo. Daar heb ik tot mijn vijftiende meegespeeld en dat is enorm belangrijk geweest voor mijn muzikale ontwikkeling.
Toen ik richting het eind van mijn middelbare schooltijd bedacht dat ik naar het conservatorium wilde, hebben mijn ouders me vanaf het begin geholpen en gestimuleerd. Mijn vader was altijd erg trots, net als mijn moeder. Dat vind ik te gek!”

De grote voorbeelden
“Er zijn veel drummers waardoor ik geïnspireerd ben, maar twee springen er voor mij uit. Dat zijn Jay Bellerose en Brian Blade.
Jay Bellerose is o.a. bekend van zijn werk met Ray LaMontagne en veel producties van T-Bone Burnett en Joe Henry.
Brian Blade is o.a. bekend van zijn werk met Wayne Shorter, Emmylou Harris, Joni Mitchell en de Canadese producer Daniel Lanois. Ik heb nog nooit iemand gezien die zo impulsief en dynamisch speelt als hij. Werkelijk elke noot komt uit zijn tenen.”

De Slingerland Rolling Bomber

“Mijn eerste kennismaking met de Rolling Bomber was in 2008. Ik was bij een concert van Ray LaMontagne in de Melkweg. Jay Bellerose speelde met hem mee op zo’n Rolling Bomber. Ik had nog nooit zoiets gehoord. Ik kon bijna niet geloven dat de klank van de drums die ik hoorde daar live ontstond. Het was een fantastisch concert, met als gevolg dat ik ook zo’n set moest hebben. Ik wilde die klank tot m’n beschikking hebben!
Bijna twee jaar lang heb ik gezocht naar een Bomber. Uiteindelijk vond ik een man in Canada die er een te koop had. Ik werd gek toen ik het zag en heb hem gelijk gemaild!
Het speciale aan de Rolling Bomber is dat de spanblokken en spanranden van hout zijn gemaakt. Het ontstaan van deze houten hardware heeft te maken met de Tweede Wereldoorlog. Tussen 1942 en 1945 was er een beperking vanuit de Amerikaanse overheid op de hoeveelheid metaal die gebruikt mocht worden voor de productie van o.a. muziekinstrumenten. Als gevolg hiervan moesten Slingerland en andere drumfabrikanten hun product aanpassen. Slingerland besloot om de lugs en spanranden van hout te gaan maken.
Dit heeft een grote invloed op de klank. Hout is minder hard en stug dan metaal en resoneert daardoor meer met de ketel. Het gevolg is een warmere klank, met meer activiteit in het mid en laag. In mei 1945 werd de beperking door de overheid weer opgeheven en is Slingerland weer overgestapt op metalen hardware.
De spanblokken en randen werden, net als de ketels, compleet met de hand gemaakt. Het ijzer konden ze gieten, maar alle spanblokken zijn met de hand geschaafd.
Inmiddels ben ik alweer twee jaar de trotse eigenaar en heeft die set enorme invloed gehad op mijn spel en carrière. De bijzondere klankeigenschappen doen je anders spelen. Je moet, vergeleken met het spelen op andere drumsets, anders slaan op de trommels om een mooie klank te produceren. Het is dus compleet tweerichtingsverkeer: het drumstel werkt voor mij, maar ik moet ook werken voor het drumstel. Het is dus meer dan een potje trommelen wanneer ik op mijn Bomber speel, het is een uitdaging om het drumstel zo mooi mogelijk te laten klinken. Je kan wel spreken van een beetje liefde.”

Favorieten
“Ray LaMontagne staat erg hoog op mijn lijst. Net als Ryan Adams. Misschien nog wel belangrijker voor mij is Daniel Lanois, zowel het door hem geproduceerde werk als zijn solo-albums. Verder luister ik veel naar The Band, Joe Henry, Gillian Welch en veel door T-Bone Burnett geproduceerde albums. Misschien is mijn favoriete album wel Raising Sand van Robert Plant & Alison Krauss.
Momenteel luister ik veel naar Patty Griffins American Kid en Buddy Millers Majestic Silver Strings. Die komen allebei wel een paar keer per week voorbij.”

Beroepsmuzikant
“Ik kan inmiddels leven van mijn bestaan als drummer. Zoals in elk werkveld, kost het jaren van investeren om iets moois op te bouwen. Een mooi leven blijft belangrijker dan een mooie bankrekening, maar het zou waanzinnig zijn als ik uiteindelijk een paar kinderen kan voeden met m’n drummen. Maar gelukkig hoef ik me daar nu nog niet druk om te maken.”

www.mischaporte.com

Dit interview is eerder (4 december 2013) op Ingeplugd.nl gepubliceerd.

Tuttenwas

Halverwege de negentiger jaren beëindigde ik mijn beroepsbestaan als kantoorklerk om huisman te worden. Ons eerste kindje kondigde zich toen aan en voor mijn vrouw en mij begon een volgende, nog onbekende levensfase. Met mijn nieuwe rol had ik geen moeite. Integendeel, ik vond het prettig om eens met dingen bezig te zijn waarvan het nut zonneklaar was. Ik maakte de flessenvoeding, verschoonde luiers en deed het huishouden en dat alles op een manier die de goedkeuring van mijn moeder kon wegdragen. Ik zong zelfs kinderliedjes, niets was mij te gek. 

Ik was nog amper twee jaar aan het tutten met ons eerste kind toen de geboorte van een tweeling mijn functioneren flink op de proef zou stellen. Kennelijk was ik die eerste twee jaren in mijn nieuwe beroep op een relaxte wijze doorgekomen, ook al voelde dat heel anders. Nu moest bij wijze van spreken alles in drievoud gebeuren. Toen kreeg ik pas goed door wat voor een geweldige managers en planners de huismoeders altijd al geweest zijn. Met dit compliment geef ik mijzelf natuurlijk ook een grote veer in de kont, volgens mijn moeder zaliger geheel verdiend. 

De prille kinderjaren was een periode van doorgaan, doorbijten en vechten tegen de klok. Met het verstrijken van de tijd veranderde de taken, maar een ding bleef een constante: de dagelijkse was. Al die kleine sokjes, rompertjes en onderbroekjes, door mij al snel een tuttenwas genoemd, te drogen hangen was een intensieve kerntaak met veel intrinsieke yin yang yoga. 

Maar er was natuurlijk meer te doen in het huishouden. Vanzelf ontwikkelde zich een tabelletje in mijn hoofd waarin bij elke activiteit de tijdsduur werd gegeven; mijn ervaring met tijdverantwoordingssytemen in het verleden werkte nu in mijn voordeel. Een enkele keer zag ik op de klok dat de tijd mij nog de ruimte gunde voor een klusje van vijf minuten alvorens  naar school te gaan. Hup, daar sprong mijn virtueel tabelletje in beeld. Ik kon nog net even de was ophangen! Ik stoof naar zolder, pakte het bakje met knijpers en boog mij over wasmand en wasrek. Maar als het om een tuttenwas bleek te gaan, dan zat er niets anders op dan weer naar beneden te stuiven en de kinderen in hun jasjes en schoentjes te wurmen. Geen tijd immers. Als het winter was dan had ik die vijf minuten hard nodig om naast het veteren van zes schoentjes en het dichtknopen van drie jasjes  ook nog dertig vingertjes in handschoentjes te wringen en drie stuks sjaal om de tere halsjes te gorden. 

Aan dat alles stond ik mijmerend te denken toen ik vandaag de dagelijkse was ophing. Nu, zo’n 25 jaar verder, gingen er alweer allemaal fijne kledingstukken door mijn handen. Dat had te maken met de terugkomst van twee dochters naar het ouderlijk huis. In een kwart eeuw tijd leek er niets veranderd. Toch was er wel degelijk veel veranderd. Kinderen die terugkeren zijn natuurlijk eerst weggeweest. En een terugkomst impliceert een ingrijpende verandering in hun leven. Opa’s en oma’s zijn heengegaan. De euro kwam en internet werd sneller. 

De wereld veranderde. Maar de was bleef een onveranderlijk ankerpunt in mijn leven.

Pluk de dag

Afbeelding van Pixamio via Pixabay

Het weer vertoonde een lichte opleving in een langdurige, druilerige periode waarin de lente niet wist of zij al kon beginnen. Koude regen en harde wind maakten wekenlang de dienst uit, maar op deze dag was er toch nog ruimte voor een beetje zon. Die schaarse momenten van licht en warmte vulden op wonderlijke wijze het overheersende weerbeeld van grijs en grauw aan. Er was die dag namelijk een uitvaart van een dierbaar persoon, een optimistische vrouw bij wie zonlicht en bloesem hoorden. 

Nog geen jaar geleden zag ik haar van geluk stralend gezicht op een familiefoto. Bij het zien van die foto wist ik meteen dat het de foto van het jaar was. Geen enkele andere foto zou de zeggingskracht van het vastgelegde moment kunnen overtreffen. Zij was ongeneeslijk ziek en het gezin zou proberen nog een keer met elkaar op vakantie te gaan op een voor hen speciale plek in Frankrijk. Nog een keer het leven vieren met de meest dierbare mensen om je heen. 

Het was ze gelukt en het moment werd vastgelegd. Ik kreeg die foto onder ogen en zag dat het goed was. Het inspireerde mij tot het schrijven van een stukje over de foto van het jaar. Maar eer ik daaraan kon beginnen was de werkelijkheid alweer dramatisch veranderd. Haar man overleed een aantal weken na dat moment van harmonie onverwachts; bij de schoonzoon werd kanker geconstateerd. De wereld van de dochter veranderde in korte tijd in een wereld waarin een streng opgelegde agenda haar leven bepaalde. Er was ook nog een oudere broer die zorg nodig had. Ik wist dat mijn verhaal er niet meer zou komen.

Toch zat er ook iets moois in al die droefenis verscholen en dat toonde zich tijdens deze uitvaart. Die bijeenkomst was een mix van verdriet en levenslust. Het verdriet was vanzelfsprekend, maar de levenslust manifesteerde zich als een bloem op een cactus. Het was niet alleen de levenslust waarover de overledene beschikte en waarmee ze een onvermijdelijke dood telkens wist uit te stellen, maar ook de levenslust om van elke dag een feestdag te willen maken. Het toonde bovendien haar levenskunst om de juiste ingrediënten te verzamelen om het leven te vieren. Het was of dit de boodschap aan de achtergeblevenen was, vooral doorgaan met het leven en ervan genieten. 

Na de dienst was er geen koffie met cake. Nee, er werd wijn en kaas geserveerd!

Blauwe zomer – Leo Blokhuis

Leo Blokhuis heeft geen literaire ambities, vertelde hij onlangs bij de presentatie van zijn roman Blauwe zomer in boekhandel Paagman te Den Haag, de beatstad van weleer en bakermat van de indorockbandjes. Mooi zo, dat onderwerp kan dus afgevinkt worden waardoor alle aandacht zich kan richten op de vertelling. Die is alleszins de moeite waard! Het gaat uiteraard over muziek, de opkomst van de rock ‘n’ roll in Nederland, maar daarnaast ook over vriendschap. Twee jongeren zijn de hoofdpersonen in het verhaal: Johan, de Hollander, en Chris, de Indo.

Blokhuis kennen we van zijn liefde voor popmuziek in een heel brede betekenis. Als je naar het personage van Johan kijkt met Blokhuis in je achterhoofd dan begrijp je dat liefde te zacht is uitgedrukt. Het is pure passie en deze passie bracht Blokhuis in een zoektocht van de popmuziek via de beginperiode van de rock ‘n’ roll in Nederland naar de indorock en daardoor onvermijdelijk naar de geschiedenis van de Indische Nederlanders. Zij verhuisden na de Tweede Wereldoorlog al dan niet gedwongen op tjokvolle boten naar Nederland. Het is een geschiedenis die hij nauwelijks kende en waarin hij geleidelijk getrokken werd. Gesprekken met betrokkenen scherpten voor hem het beeld; de mens achter de indo(muzikant) zag hij steeds helderder. Hij wist nu dat de hongerwinter die hij wél kende van de geschiedenisles maar moeizaam te vergelijken was met de ontberingen van de (Indische) Nederlanders in de jappenkampen. Hij hoorde ook over de Bersiap. Het leidde er toe dat hij over indorock geen non-fictieboek schreef maar dat hij een verhaal vertelde over het wel en wee van de Rocking Blue Boys, een indorockbandje. Eigenlijk vertelt hij twee verhalen, want naast het Indische verhaal van Chris komt ook het verhaal van Johan over zijn ontworsteling aan het strenge protestantse geloof thuis aan bod.

Het zijn geen onbekende thema’s in de literatuur. Hier zijn ze vervlochten tot een verhaal over de ontwikkeling van een rock ‘n’ roll-band. Het siert Leo Blokhuis dat hij zich oprecht geïnteresseerd en verdiept heeft in het Indische verhaal: het vertrek uit het moederland, de aankomst in Nederland, de opvang in contractpensions, het moeten werken onder je niveau en de integratie in de Nederlandse samenleving. Het is om die reden een beetje flauw dat Moesson, hét blad voor de Indische gemeenschap, in een zure bespreking juist de behandeling van deze trits als clichématig afdoet. Wat nou clichématig? De stille klacht van vele Indische mensen is juist dat deze gebeurtenissen nauwelijks bekend zijn bij hen die geen enkele band hebben met voormalig Nederlands-Indië.

Natuurlijk vertelt Blauwe zomer nog veel meer. Als je voorbij de persoonlijke sores van de twee vrienden kijkt, zie je een mooie vertelling over twee mensen in een belangrijke fase van hun leven. Hoe ze zich vrij maken van hun ouders en proberen op eigen benen te staan en verantwoordelijkheid te dragen. Het is ook een vertelling met een een bijzonder slotakkoord. Na dat verrassende einde ontdek je pas goed de samenhang tussen enkele schijnbaar losse gebeurtenissen. Het boek eindigt zo op dezelfde manier als, om een vergelijking met de popmuziek te maken, het grillige White Album van The Beatles afsluit met het verrassend lieflijke Goodnight. Met Blauwe zomer laat Leo Blokhuis een mooie proeve van inlevende vertelkunst zien!

The World of Dust: Samsara

Samsara is de naam van het nieuwe album van The World of Dust. Leuke titel vond ik, een samentrekkinig van Sam & Sara bedacht ik in een lollige bui. Zo duidt het op een koppel en dat klopt ook, want The World of Dust is hier een verbond van Stefan Breuer met Todd Tobias. De rollen in deze verbintenis zijn haarscherp verdeeld. Tobias bespeelt alle instrumenten waarbij Breuer zich deze keer beperkt tot zang. Dat doet hij kwetsbaar en kaal waardoor het lijkt alsof hij in zijn blootje staat. Hij heeft niets te verbergen, speelt open kaart en neemt de luisteraar mee in zijn overpeinzingen, twijfels en gedachtenspinsels. Voer voor zielenvorsers zou je kunnen zeggen. Misschien is dit – het spelen met onzekerheden – ook de rode draad door dit nieuwe album.

Het is natuurlijk geen toeval dat Samsara een begrip is in het boeddhisme. Het geeft de cyclus van (wedergeboorte) en dood aan. Maar dichter bij huis betekent het ook de stoffelijke wereld(!), het dagelijks leven waarin het nirwana nog niet is bereikt en waarin je soms worstelend dat probeert te bereiken. De weg naar het nirwana is lang, zeker als je nog maar net bent geboren. Welcome, het eerste nummer, begint met een betoverend mooie intro en is een ode aan de boreling. Voilà, het begin van een levenscyclus waarna Samsara zich ontwikkelt tot een album vol levensvragen en dubbele lagen die ik lang niet altijd door heb. Maar dat hoeft ook niet, want het gaat ook om de muziek. Die bestaat uit dertien miniatuurtjes die door Todd Tobias nauwkeurig in elkaar zijn gezet en mede zorgen voor de contemplatieve sfeer. Een enkele keer klinkt het kaleidoscopisch en dat past goed bij Stefan Breuer, die niet alleen muzikant, componist, platenlabeleigenaar en producer is, maar ook collagekunstenaar; een creatieve adhd’er als het ware.

Die muziek was er trouwens eerder. Tobias stuurde ze op, Breuer schaafde er minutieus aan en schreef er de tekst bij. Een proces dat makkelijker klinkt dan het is. Deze songteksten zijn meegeleverd, uitgetypt op een oude schrijfmachine, wat eigenlijk ook een apparaat is dat je via tekst, zinnen en woorden terugbrengt naar de essentie van iets, in dit geval tekst: de letter. Bovendien een apparaat dat je confronteert met jouw feilbaarheid, want het laat meedogenloos de door jou gemaakte fouten zien.

Samsara is een album waar veel aan te ontdekken valt. Het is opgedragen aan zijn kinderen.

Kijk ook nog even naar onderstaand filmpje dat de single Tarot begeleidt en waarin 157 action figures acteren. Breuer als videokunstenaar, dat dus ook.

[28 februari 2019]

Herdenken met de melati

Bunga melati

Het hele jaar door worden Indo’s omgeven door de geur van trassi, toebroek of kajapoetieolie. Maar niet op 15 augustus. Die dag is voor de melati, de Indische jasmijn, die met haar zoet aroma de avonden in de tropen begeleidt.

Op 15 augustus mag de Nederlandse vlag weer wapperen, hoog op de stok en geen minuut halverwege. Toch vinden er overal in het land herdenkingen plaats. Deze worden massaal bezocht door voornamelijk Indische Nederlanders van alle leeftijden. Zij staan op deze dag namelijk stil bij de capitulatie van Japan, die het einde van de Tweede Wereldoorlog in Zuid-Oost Azië markeerde. Maar vooral herdenken zij de slachtoffers van de Japanse bezetting in Nederlands-Indië, want geen enkele Indische familie kwam ongehavend uit die oorlog. Het heeft wel iets propperigs, vrijheid vieren en herdenken op een en dezelfde dag. Alsof er weinig ruimte was op de nationale jaarkalender. 

Het is dus bevrijding vieren met een zwart randje. Er is dan ook in de Tweede Wereldoorlog in de archipel nogal wat gebeurd: een verloren militaire strijd tegen Japan, internering in burgerkampen, dwangarbeid aan spoorlijnen, vervoer per hell ships, krijgsgevangenschap in Japan. Toen aan dat alles een einde kwam door de capitulatie van Japan bleek de bevrijding niet eens te kunnen worden gevierd. Want de autochtone bevolking van Nederlands-Indië rook hun kans om hun eigen vrijheid te bevechten. De mensen met een Nederlands paspoort wisten toen nog niet dat zij op 15 augustus nog maar halverwege hun ellende waren.

Het is bijzonder dat er op een bevrijdingsdag op vele plekken in het land massale herdenkingsbijeenkomsten zijn. De melati is daarbij het herdenkingssymbool van de Indische Nederlanders. Deze bloem verbindt en symboliseert het gemeenschappelijk verleden. Velen dragen het kleine speldje op 15 augustus ergens op de kleding. Niet om deze dag te vieren, maar om aan elkaar te laten zien dat de schoonheid van deze bloem de pijn in de familie gestaag aan het verdringen is .

Waarom mijn moeder de visboer sloeg

Een schilderij van Natalie Ypma

Als twee van haar broers na heel lange tijd bij mijn moeder op bezoek komen, wil ik er ook bij zijn. Zulke gebeurtenissen moet je koesteren, het kan immers de laatste keer zijn. Bovendien is er een tante bij, uit Suriname!

Al snel praat iedereen over eten. Hoe kan het ook anders met twee verschillende koloniale invloeden in een kleine ruimte, met mensen voor wie lekker eten belangrijker is dan het glimmen van het bestek.

En als het niet meer over eten gaat, komt het verleden in beeld. Eerst onze eigen oude buurt: de Haagse Moerwijk, met slagerij Van Dongen, speelgoedwinkel Cuné (we zeiden vroeger Kune) en vishandel P. Keus. Ik hoor het verhaal over die keer dat mijn moeder vis ging kopen. Er was geen andere klant in de winkel en de visboer was ergens in een hoekje van de winkel aan het rommelen. Hij zag mijn moeder, een van zijn trouwe klanten, de winkel binnenkomen en dacht dat hij het zich wel kon permitteren haar van achteren een beetje aan het schrikken te maken. Mijn moeder dacht er anders over. In haar schrik en in een reflex sloeg ze in achterwaartse richting hem twee keer vol in het gezicht. Mijn moeder kan dit niet vertellen zonder erbij te grinniken; ik vraag mij af waaraan zo’n reactie ten grondslag ligt.

Maar we gaan nog verder terug in de tijd. Naar de huizen van vroeger, naar ooms en tantes die al overleden zijn en we belanden in Nederlands-Indië. Het gaat over de kloosters waar de oudste kinderen het schooljaar doorbrachten omdat er geen schooltje was in de directe nabijheid, de oorlog die uitbrak, de kampen, de bevrijding die geen bevrijding was omdat de Bersiap uitbrak. Een oom herinnert zich een transport per trein waarbij pemuda’s onderweg met bamboe spiezen door openingen van de wagons naar binnen prikten. Je was je leven niet zeker als je niet veilig in een kamp verbleef.

Dan vertelt mijn moeder een verhaal.

Ze is buiten het kamp, ze weet niet meer goed waarom, waarschijnlijk om voedsel te gaan zoeken. Een pemuda ziet haar en komt op haar af en roept tegen haar ‘nu zijn jullie van ons’. Mijn moeder is net achttien en doodsbang. Ze zet het op een rennen, de pemuda in haar spoor. Ze voelt hem steeds dichterbij komen en zoekt al rennend in haar hoofd naar een uitweg uit deze benarde situatie. Ze wordt zich bewust van de ring om haar vinger, een ring met een stevige steen. Dan, als ze zijn verhitte adem in haar nek voelt, slaat ze met haar beringde hand keihard naar achteren. Ze raakt de pemuda vol in het gezicht op de neus. Hij bloedt. Zij probeert tijdens zijn verwarring weg te rennen maar hij grijpt haar bij haar lange haren en duwt haar tegen een muur. Met zijn vrije hand veegt hij het bloed van zijn gezicht en smeert het over haar wangen, voorhoofd, kin en hals. Dan laat hij haar gaan, hij heeft haar zijn stempel gegeven.

Op een later moment, in het kamp, ziet ze hem opeens staan. Hij is er bewaker. De panische angst komt weer helemaal terug. Hij ziet haar ook en herkent haar maar al te goed. Hij loert op een moment om met haar alleen te zijn. Dan breekt dat onvermijdelijke moment aan. Hij pakt haar vast en sluit haar op in een nagenoeg donkere kamer. Ze is alleen, opgesloten. Als haar ogen gewend zijn aan de duisternis ziet ze allemaal touwen hangen. Hier word ik dus opgehangen, denkt ze. Dan komt hij binnen.Hij kijkt haar vol haat aan en drukt zijn brandende sigaret uit op haar arm.

Mijn moeder begint te snikken. Ze vraagt zich af waarom zij dit eigenlijk vertelt, zij wilde het helemaal niet vertellen.

We zeggen dat het goed is dat ze dit heeft verteld.

We beseffen dat mensen rare dingen kunnen doen, als ze opgezweept worden door anderen. Dat ze kunnen veranderen in beesten. De druk van de groep of de roep van een leider die niet goed snik is, het doet wat met mensen. We weten van onszelf niet eens of we onder alle omstandigheden onze waardigheid kunnen behouden. We zien dat mensen later spijt krijgen van hun daden, maar dan is er al iets gebeurd. Daarom kun je het maar beter vertellen, dat anderen het weten en erover kunnen nadenken.

[3 oktober 2012]

Oliver Oat: Juniper Resin

Achter de naam Oliver Oat schuilt de Rotterdamse muzikant en producer Joost de Jong. Zijn dit jaar uitgekomen debuutalbum Juniper Resin heeft hij in nauwe samenwerking geproduceerd en gemixt met Floyd Atema, die hij nog kent van de band Herrek. Dat heeft gewerkt!

Het album Juniper Resin had ik al enige maanden in huis. Het maakte bij de eerste draaibeurt meteen een goede indruk. Dat was op zich verrassend, want op het album wordt veel gebruik gemaakt van de synthesizer, een instrument waarmee ik een moeizame verhouding heb. Maar daarnaast is er ook een scala aan gitaren te horen. Ze bieden een uitgekiend tegengeluid en brengen de muziek mooi in balans. Deze rijke instrumentatie zorgt voor een prachtige presentatie van de twaalf bijzonder harmonische composities. Het geluid klinkt bovendien geweldig mooi. De kristalheldere geluidsweergave geeft nog eens extra glans aan de liedjes. Ik vermoed dat Tammo Kersbergen, die verantwoordelijk was voor het masteren, hierin een belangrijke rol heeft gespeeld. Maar het zwoegen van De Jong en Atema met de songs had natuurlijk al een ferme basis opgeleverd. Acht jaar lang heeft De Jong erover gedaan om twaalf compleet verschillende nummers tot een geheel te maken.

Mooie passages ontstaan zodra de keyboards klinken als een kerkorgel en er een suggestie van gewijde muziek met een flirt naar klassieke composities ontstaat. Op zulke momenten wordt het debuutalbum van Ars Nova bij mij opgeroepen, dat is een van de eerste elpees uit de zestiger jaren die de luisteraar op het verkeerde been zetten. Want wat die Amerikaanse jongens deden was toen ongekend. Met hun muziek en het citeren uit de late Middeleeuwen (Guillaume de Machaut) wisten zij een sfeer van ernst en poëzie te scheppen. Dat gebeurt nu ook bij Juniper Resin, dat rijk klinkt door prachtige melodieën maar tevens somber is van toon. De Jong heeft in die jaren dat hij aan het album schaafde dan ook het een en ander moeten doorstaan. Verschrikkelijke gebeurtenissen, zoals de zelfgekozen dood van zijn vader, maar ook mooie momenten, waaronder de hereniging met zijn partner en de geboorte van zijn zoon. 

Het toeval wilde dat ik een keer het album per ongeluk startte bij Open, het negende nummer. Ik raad het iedereen aan. Je hoort dat gewijde orgel, de op de loer liggende bombast met hemels gezang en de bijna naadloze overgang naar het crematorium: het titelnummer begint met flamencoklanken verspreid vanaf een ukelele en met gierende gitaren die abrupt afremmen. Is dit bombasitsch vraag ik mij af om meteen ontkennend het hoofd te schudden. Nee, deze hyperactieve klanken zijn noodzakelijk om een sfeer van waanzin te creëren. Deze muziek zit waaratje goed in elkaar! Het nummer eindigt als een kaars die uitdooft in zijn laatste vet, waarna Yes het commando overneemt en de vaart in de muziek terugbrengt. Een mooi en speels nummer, inclusief foppauze, krijg je dan te horen. Het album eindigt met de bossa nova-klanken van Lies, een nummer dat eerder geruststelt dan bang maakt.

Juniper Resin van Oliver Oat is een verrassend mooi album dat zowel een demonische sfeer oproept als een glimp van het paradijs geeft.