Roedjak manis

Uit mijn geheugen popt een gebeurtenis op uit de vierde klas van de lagere school. Ik zat toen in de klas bij juf Sorel aan de Pieter Langedijkstraat in de Haagse Moerwijk. Mijn juf was een Hollandse jongedame met donkerblond golvend haar. In de belendende klas gaf juf Claus les, een stevige Indische vrouw met een aanstekelijke lach. Juf Sorel en juf Claus konden het goed met elkaar vinden. Daar had ik toen geen weet van, maar dat ontdekte ik door de roedjak.

Ik was als enige leerling in de middagpauze aan het overblijven. Achter mijn lessenaartje zat ik braaf te tekenen, te lezen of op een andere manier de tijd te verdrijven. Juf Sorel was aan het rommelen in het lokaal. Haar bezigheden onderbrak zij regelmatig  om met veel genoegen iets uit een bakje te eten. 

Kennelijk zat ik een moment in gepeins verzonken en stond mijn mond open. De juf zag dat en kon de verleiding niet onderdrukken. Ineens stond zij naast mijn tafeltje en stopte een beetje van de lekkernij in mijn mond. 

“Proef maar, dit is lekker. Het heet roedjak.”

Lekker was het zeker! Ik proefde zoetigheid, scherpte en een geheimzinnig bestanddeel dat terugredenerend trassi geweest moest zijn. Juf Claus had deze toverachtige lekkernij gemaakt en een extra portie meegenomen voor haar Hollandse collega op school. 

Nu, ruim een halve eeuw later heb ik het voor het eerst zelf bereid en weer vind ik het heerlijk. Het geheim van het recept is de mango in de fruitmix en het bruine suikersausje. Dat sausje smaakt hemels door de gula java en de trassi! 

Onderstaand recept komt uit het kookboek van goede vrienden van ons, die net als de twee juffen een mooi verbond van Hollands en Indisch vormden. Zij droegen goede smaak en kwaliteit hoog in het vaandel. De gedachte dat zij in het hiernamaals de kunst van het genieten nog steeds beoefenen, is van een zoetheid die wedijvert met de smaak van roedjak manis.

Zia – The Artisanals

Zia, het tweede album van The Artisanals, ontregelde na de eerste keer beluisteren mijn verwachtingspatroon. De muziek klonk ingetogener dan op hun debuutalbum waar het enthousiasme van afdroop. Wat was er aan de hand? Een koerswijziging misschien of herinnerde ik mij de muziek niet meer zo goed? Dat debuutalbum dateerde alweer uit 2018, de indruk ervan zou vervaagd kunnen zijn. 

Beide albums draaide ik daarom achter elkaar. En zie: na die tweede draaibeurt van Zia begon er iets van enthousiasme te ontstaan. De geweldige popsound viel op, net als de kracht van de composities die de standaards overstegen. Mijn herinnering had mij dus in de steek gelaten. Of het moest zo zijn dat Zia de muziek van het debuutalbum in een ander daglicht stelde. 

De twee albums vormen een consistent geheel met dezelfde kenmerken. Uiteraard zijn dat  de geweldige stem van Johnny Delaware en de elektrische gitaar van Clay Houle. Maar ook horen de gevarieerde composities, het surplus aan gitaren en de hier en daar opduikende falsetkoortjes daarbij. Natuurlijk ook die andere musici. De band lijkt niet echt een vaste samenstelling te hebben. Johnny Delaware draait zijn hand er niet voor om te putten uit de bron die hij kent uit zijn periode bij SUSTO.

De muziek aarzelt tussen americana en pop met een lichte neiging naar het laatste. Misschien hunkert de band met hun volle sound naar waardering van een groot publiek. Toch zijn de liedjes meer dan alleen maar gemakkelijke popsongs. Heading Somewhere bijvoorbeeld ontwikkelt zich tot een fascinerende compositie. Zo ook het daaropvolgende Always Taken Care Of, met een voorafje van bonkende drums en een hoofdgerecht gelardeerd met pedal steel en ronkende gitaar.

Zia is een fijn album geworden met enkele goed in het gehoor liggende opzwepende songs zoals de eerder genoemde nummers en het rampestampende Violet Light.

Een rondje in de vroege ochtend

Zowaar kon de buurt mij weer eens zien hardlopen. Maar het meest verrast was toch ikzelf. Een jaartje geleden bergde ik immers mijn running shoes op, ver weg in de schoenenkast. Het was me allemaal te druk geworden in park en polder; iedereen leek – al dan niet gedwongen door de lockdown – in professioneel ogende kleding en uitgerust met mobiel inclusief draadloze oordoppen te galopperen. Het móeten rennen stond mij trouwens ook al tegen, vooral ‘s ochtends vroeg als het buiten koud was en het bed nog lekker warm. Voor een goede conditie was de noodzaak er eigenlijk niet meer; we wandelden de laatste jaren steeds vaker en verder en kregen alleen daardoor al genoeg beweging. Wandelen is bovendien prettiger voor de gewrichten dan het bonkende rennen. Mijn besluit om te stoppen was dus in vele opzichten verstandig.

Maar ineens kreeg ik er weer zin in. Ik herinnerde mij hoe fijn hardlopen in de vroege ochtend kan zijn, als er nog geen mens op de been is. Het voelt alsof tijd en ruimte jou toebehoren. Je ziet het lichtspel van de vroege ochtendzon. Een haan kraait. Konijnen voelen zich veilig in de weilanden. Vogels wanen zich op de grens van nacht en dag meester over de wereld. Tot de mens wakker wordt en zijn dominantie etaleert. Dan houdt de fauna zich maar gedeisd. Maar als de zon gaat zakken en men zich weer in de huizen verstopt, komen konijnen, egels en een verdwaalde veenmol uit hun schuilplaats tevoorschijn. Die momenten, aan de randen van de dag, is het fijn om buiten te zijn. In dat overgangsgebied van licht en donker begeef ik mij graag, alsof ik niet kan kiezen tot welke wereld ik wil behoren.

Bovenal gaat het natuurlijk om de activiteit zelf, die door mij telkens op een andere manier wordt beleefd. De ene keer met loodzware benen, die lijken te kleven aan het asfalt. De andere keer zwevend boven het parcours, zoals een buizerd mij een keer de weg leek te wijzen. De eerlijkheid gebiedt mij te zeggen dat het eerste vaker het geval is. Maar toch, het gaat ook om het gevoel dat het oproept. Het gevoel van autonomie, de vrijheid die je onderweg beleeft, de tevredenheid na afloop als je gedoucht hebt en schoon in de kleren zit, dat je de dag aan kunt. Ook daar is veel voor te zeggen.

Native Sons – Los Lobos

Veel te vaak hoor ik nog mensen beweren dat Los Lobos een coverband is. Dit is een hardnekkig misverstand bij hen die de band van niets anders kennen dan hun eerste grote hit La Bamba. Inderdaad, die sublieme uitvoering zet je op het verkeerde been. Daarbij helpt het ook niet dat Native Sons, het meest recente album van ‘the band from East LA,’ er een is vol met covers. Maar wat zich daartussenin heeft afgespeeld, schotelt een repertoire voor van een halve eeuw aan prachtige muziek en steengoede albums. Muziek die zijn wortels kent rond de grens van de Verenigde Staten en Mexico. Ze beheersen daardoor veel muziekstijlen, van romantische akoestische folklore tot snoeiharde rock en alles daartussen, met soms een vleugje weemoed, vooral als David Hidalgo de vocalen voor zijn rekening neemt. Het zijn deze aspecten die de band zo aantrekkelijk maakt. 

De muziek van Los Lobos bestaat uit een potpourri van gitaren (Cesar Rosas, David Hidalgo en Louie Pérez) met een toevoeging van saxophoon (Steve Berlin) en een ploempende bas (Conrad Lozano). Een echte drummer ontbreekt, maar dat lossen ze gemakkelijk op in de eigen gelederen. Op dit album zijn het David Hidalgo junior en Jason Lozano die de vacature vervullen. Op Love Special Delivery van Thee Midniters hoor je ook nog Aaron Ballesteros . Ballasteros’ drumpartij, hij was de drummer van Thee Midniters, is een in het verleden min of meer bij toeval opgenomen take die de band nu heeft gebruikt. Ik zie het als een eerbetoon, want Ballasteros overleed op 11 september 2020.

Native Sons is een coveralbum met als thema Las cosas se pueden rehacer, pero la vida no. Het is een opgetekende uitspraak van Blanca Galdámez(42), een huishoudster die tijdens de pandemie in medische kantoren werkte. Vrij vertaald betekent het dat je alles opnieuw kunt doen, maar niet het leven. Los Lobos heeft zich nu gewaagd aan het opnieuw uitvoeren van liedjes uit de zestiger jaren. Daarbij blijven ze verrassend dicht bij het origineel. Ik zie het als respect voor de componisten. 

Van Stephen Stills neemt Los Lobos zelfs twee liedjes voor hun rekening. De songs waaruit de medley Bluebird/For What It’s Worth bestaat, dateren uit de legendarische Buffalo Springfield periode. David Hidalgo neemt hierop zowel de gitaarpartij van Stephen Stills (links) als die van Neil Young (rechts) voor zijn rekening. Er staan verder enkele verrassende keuzes op (bijvoorbeeld Sail on, Sailor van The Beach Boys). Maar alle nummers hebben gemeen dat ze van artiesten zijn uit de regio met Los Angeles als kern, van waaruit Los Lobos al een halve eeuw lang opereert. Native Son, het enige eigen nummer op dit album, is daar een hommage aan. Zoals het hele album een eerbetoon is aan de artiesten die er vandaan komen. 

Nee, Los Lobos is geen coverband. En dit bijzondere album vol prachtige remakes is de vette uitzondering die dit bevestigt!

Opnieuw kamperen

Alpenkreuzer Open Air

Door een onplanbare reeks van gebeurtenissen beschikken wij ineens over een vouwwagen. Eigenlijk overkwam het ons. Voor ons is daarmee opnieuw een kampeertijdperk aangebroken, met nieuwe existentiële vragen zoals: wat voor kampeerders willen we op deze leeftijd nog zijn en op wat voor campings gaan we dat in praktijk brengen? 

We hebben inmiddels aan twee korte verblijven op boerencampings kunnen ruiken. We ontdekten dat in twintig jaar tijd de groeiende welvaart en de toegenomen behoefte aan luxe de wijze van kamperen aanzienlijk heeft veranderd. Ons overrompelde het beeld van witte caravans en campers in keurige rijtjes, met grote voortenten en een elektriciteitsbehoefte die concurreert met dat van een data center. We zagen een joekel van een camper aankomen rijden, met achterin een heuse kelderruimte waarin tuinmeubels en elektrische fietsen stonden opgeslagen. Televisieantennes her en der wezen erop dat de mensen het precies zo als thuis willen hebben. Alle kampeerplekken beschikken over water en elektriciteit, een verhard stukje grond en vaak ook nog een aansluiting op het riool. 

Waar zijn de tenten met scheerlijnen, stormriemen en vogelpoep op het doek toch gebleven? Ziet men in het kamperen eerder ontberingen dan een oefening in eenvoud, begeleid door vogelengezang in de morgen en een kikkerkoor in de avond? Wil men niet voor eventjes de pyramide van Maslow afdalen? Koppige puriteinen vind je alleen nog maar op schaarse paalkampeerveldjes, maar die zijn net iets te spartaans voor ons. 

Met ons vouwwagentje passen wij eigenlijk nergens bij. Wij zijn kampeerders die niet willen bukken. Maar elektriciteit hebben we niet per se nodig en dat je je telefoon dan niet kan opladen zien we eerder als een stimulans om er zo lang mogelijk van af te blijven dan als een groot gemis. Voor ons hoeft het allemaal niet zo georganiseerd en geregeld, want dat kan soms doorslaan. Zoals die keer dat het licht op het toilet uitging omdat er kennelijk een standaardverblijfstijd werd overschreden. Dat overkwam mij op een camping waar ze oplaadbare pasjes gebruiken waarmee je warm water bij de kraan kunt kopen. Daar ook ging de slagboom alleen open als de boerin op een knopje drukte en dat is dus alleen de eerste keer, bij aankomst. Terug werkte het wel automatisch. Ze zien je liever gaan dan komen, lijkt het dan. 

We zochten rustige campings. Eentje werd aangeprezen als ‘uitermate geschikt voor de vijftigplusser die van rust houdt’. Dat spreekt ons aan. Maar willen wij bij nader inzien wel op een camping waar iedereen hetzelfde is en hetzelfde doet, waar je in de washokjes gekuch en gerochel om je heen hoort en waar de mensen overdag op hun elektrische fietsen een uitgezette anwb-route af gaan werken? We schrokken wel een beetje van deze eenvormigheid. 

Misschien een volgende keer toch maar een groene minicamping uitkiezen waar voornamelijk tentkampeerders komen? Of juist het tegenovergestelde, een grote familiecamping waar alle generaties door elkaar verblijven als afspiegeling van de samenleving. Liefst zonder betutteling.

De zanglijster

De mooie zomeravond is als het toetje van een geslaagde dag. Ik wandel voldaan over de IJsseldijk langs de sportvelden in de uiterwaarden. Daar zijn kinderen met een lichte training bezig. Aan de andere kant van de dijk is een parkje aangelegd. Vanuit het groen hoor ik ineens prachtig vogelgezang. Het klinkt als het lied van een wezen dat tevreden is met het bestaan. Ik kan niet anders dan stil staan om mij te laten betoveren. 

Dit lied is nieuw voor mij. Wat voor vogel is het? Ik moet het weten. Daarom pak ik mijn telefoon en druk op de button van BirdNET. Dan, als ik zo’n tien seconden aan wonderschone klanken heb geregistreerd, komt een fietser langs. In het voorbijgaan hoor ik hem ‘zanglijster’ zeggen. Ik kijk op en kan nog net  een dankjewel tegen zijn rug zeggen. 

Nu rijst de vraag hoe hij kon weten dat ik een vogel aan het analyseren was. Want wat hij zag was niets anders dan een man verdiept in zijn telefoon. Een alledaags beeld, mensen reageren immers voortdurend op signalen van hun telefoon. Er was iets waardoor hij moest hebben gedacht dat ik niet geactiveerd werd door een geluid van mijn mobiel, maar dat precies het tegenovergestelde het geval was. Ach, hij hoorde logischerwijs ook die vogel zingen!

Ik druk op de analyseerknop en kijk naar het resultaat. Natuurlijk is dat allang geen verrassing meer.

De Giro van 2021 versus die van 2020

Dat Egan Bernal (24) de Giro van 2021 won was volgens verwachting. De tegenstand zou moeten komen van Simon Yates (28) en Remco Evenepoel (21). Aan de laatste kleefden wel wat onzekerheden. Bernal, de Tourwinnaar van 2019, was dit jaar weer op topniveau na zijn slechte seizoen van 2020. Feest vieren en een rugblessure blokkeerden toen zijn prestaties.

Voor het begin van de Giro van 2021 wachtte een tweetal vragen op antwoord. De Giro van het jaar daarvoor,  verrassend gewonnen door Tao Geoghegan Hart, wierpen deze op. Hart werd toen gelegenheidskopman omdat Geraint Thomas al na de derde etappe uitviel. Hart won op regelmatige wijze de Giro, mede dankzij het beulswerk van tijdrijder Rohan Dennis in de beruchte twintigste etappe. Maar de Girowinst van 2020 zou op voorhand betwist moeten worden door Geraint Thomas, Remco Evenepoel en Wilco Kelderman. Evenepoel echter raakte eerder in dat korte coronawielerseizoen zwaar geblesseerd en kon daardoor zijn debuut niet maken in zijn eerste grote grote ronde. Voor hem in de plaats werd Almeida kopman. De jonge Portugees reed vervolgens verrassend 15 etappes in de roze trui. Kelderman, de onbetwiste kopman bij Team Sunweb, loste daarna Almeida af voor het roze. Toen gebeurde er in de twintigste etappe iets raars. Kelderman kreeg een inzinking en tot verbazing van velen werd hij niet gesteund door de ploeg. Zijn teamgenoot Jay Hindley, die ook kort stond in het klassement, mocht zijn eigen gang gaan en won de etappe. Hij kwam daardoor met  dezelfde tijd als Hart in de leiderstrui. Keldermans beperkte het verlies nog tot 1’35”. Dat was echter te veel om in de afsluitende  goed te maken. 

Nu komen de vragen. Is Hindley inderdaad zo sterk dat hij toen het vertrouwen van de ploegleiding verdiende? En de andere kwestie: wie wordt de kopman bij Deceuninck – Quick Step, nu Remco Evenepoel hersteld lijkt van zijn zware blessures maar nog geen wedstrijdkilometers heeft gereden?

Het antwoord op de eerste vraag is duidelijk. Hindley was nog maar een schim van de voorgaande editie en startte zelfs niet meer in de veertiende etappe. Het antwoord op de andere vraag ligt wat gecompliceerder. Al in het begin verloor Almeida kostbare minuten waardoor Evenepoel vanzelf de kopman werd. Maar ook Evenepoel verloor tijd, in de graveletappe (etappe 11), waarna duidelijk werd dat een podiumplaats in zijn eerste grote ronde niet meer haalbaar was. Hij startte niet meer in de achttiende etappe door een val in de etappe daarvoor. Almeida echter werd steeds sterker en vocht zijn weg terug naar een zesde plaats in het eindklassement. Hij was misschien wel de sterkste renner in de derde week en heeft zeer zeker zijn prestatie van het vorig jaar bevestigd.

De nummers 1 en 3 van het podium van 2020 namen niet deel. Hart en Kelderman kiezen beiden voor de Tour.

Een gewone Goudse wandeling

Omdat Gouda aan de Hollandse IJssel ligt kun je er een rivierwandeling maken. Toch zijn er maar weinigen die zich hiertoe laten verleiden. Gouda is namelijk voor velen de stad van Erasmus en Coornhert, St. Jans-kerk en Stadhuis of, zoals stadsmarketeers het willen, kaas en stroopwafels. Hier doen we op deze wandeling echter niets mee. We maken gewoon een onbeduidend voettochtje. Begin- en eindpunt illustreren dat veelzeggend. De tocht begint onder hoogspanningskabels en eindigt op een loopplank.

Daar waar de Voorwillenseweg uitkomt op de Goejanverwelledijk steek je deze dijk over om het smalle fietspad te volgen richting de rivier. In een flauwe linkse bocht naar Haastrecht bevindt zich rechts een bankje. Hier begint de wandeling.

Je gaat er rechtsaf, over een onverhard pad behept met kale bulten als acné in een pubergezicht. Je kuiert er enkele honderden meters in de uiterwaarden tussen sportvelden en rivier. Aan de andere kant van het water zie je oudere huisjes al dan niet verscholen in ruig groen. Een enkele boot ligt er aangemeerd. Je voelt je, lopend over dat hobbelige graspad, teruggezet in de tijd. Met wat goede wil kun je zeggen dat het schilderachtig is. Hierna loopt het pad dood op een hek van aannemersbedrijf Van Ooijen. Daarom kun je beter iets eerder de oever verlaten om tussen de petanquevereniging en een honkbalveld in naar de eerder gekruiste Goejanverwelledijk te lopen.

Over die dijk loop je door naar het westen en steek je de Goverwellesingel over. Links, na de hairclub van Marna, verrijzen straks schitterende nieuwbouwwoningen. Maar voor je daar aan toe bent, passeer je eerst een verwilderd en rommelig perceel, een stukje niemandsland waar het lijkt of er onlangs  een wervelstorm heeft gewoed. Verbaas je een moment over de gammele woonboot die erachter voor anker ligt, als stil protest tegen de aanwezigheid van de smetteloze nieuwe huizen van de buren. Nog even doortippelen en je arriveert bij de waaiersluis, een belangrijk punt in het stroomgebied. Tot hier is de Hollandse IJssel gekanaliseerd, daarna is het een echte rivier met het ritme van eb en vloed. 

Bij de sluis neem je bij voorkeur het verborgen pad langs de stroom. Je wandelt dan naast begraafplaats de IJsselhof aan deze zijde en tegenover kapitale villa’s aan gene zijde van de rivier. Die huizen aan de overkant, die zijn van een andere categorie dan die nieuwe woninkjes die je eerder bent gepasseerd. Dit is volume onder architectuur met aanlegsteigers en bootliften! Die zijn nog gebouwd met guldens, de bewoners  zijn al lang geleden geslaagd in het leven. Nog steeds loop je langs de IJsselhof over het geheimde paadje dat straks afbuigt, weer naar de dijk toe. Nogmaals beloop je de Goejanverwelledijk, nu richting de Haastrechtse brug. Je moet daar een drukke weg oversteken, maar dat gaat niet lukken zonder tijdrovende omtrekkende bewegingen te maken. Want de verkeerslichten zijn niet berekend op wandelaars. Maar als je de situatie goed kent, zorg je dat je enkel tientallen meters voor de brug een smal pad naar de oever neemt. 

Daar ligt aan het begin in de berm het gedicht Aan de dijk van Leo Vroman, waar ik verder niets over zeg want dit is een gewone wandeling. Toch wil ik wel even bij Leo Vroman stil staan. Vroman is ook een bekende Gouwenaar, die hier en daar in de stad wordt geëerd, zo ook ter hoogte van de waaiersluis, waar twee woontorentjes vernoemd zijn naar Leo en Tineke. Dat vergat ik te melden. Het gedicht Aan de dijk markeert het begin van het struinpad dat je onder de brug door leidt naar het eindpunt van de wandeling, de aanlegkade. Dan heb je het wel gehad. 

Let op de loopplank waar je overheen loopt. Hier was ooit de ingang naar de Oosthaven en Westhaven, toen vaartuigen nog vanaf de Hollandse IJssel het centrum van Gouda konden bereiken. Die toegang is in verband met de deltawerken, die ook verantwoordelijk zijn voor de waaiersluis, weggemoffeld onder een lading beton. Vanaf  hier kun je diverse leuke en interessante wandelingen gaan maken of ergens kaas en stroopwafels gaan kopen. Dit is het eindpunt van deze gewone wandeling.

Jesús Manzano, reiniger van het Tourpodium

Je hoort wel eens een somber mens beweren dat je na afloop van de Ronde van Frankrijk nooit weet wie er heeft gewonnen. Ik heb dat eens gecheckt en geconcludeerd dat die bewering overdreven is. Het lijstje winnaars van wie de overwinning is afgepakt telt slechts drie namen: Armstrong, Landis en Contador. Riis hoort er eigenlijk ook bij, maar hij bezat een vooruitziende blik en was met bloeddoping een early adopter; zijn case verjaarde. Contador hoort er dan weer niet op als je zijn hilarisch verhaal over het eten van een besmette entrecote van een Baskische slager gelooft. Dan gaat het alleen nog maar om Armstrong en Landis. Van dat duo is Armstrong is met zijn zeven overwinningen op rij (1999-2005) de grootste maar ook vuigste kampioen. Die unieke serie is hem dan ook afgenomen. Dat kan hij gerust klokkenluider Jesús Manzano verwijten. 

Manzano was een wielrenner bij Kelme, een Spaanse wielerploeg die een ware dopingwerkplaats bleek te zijn. Manzano was ook degene die door doping mijn eigen klassement in een wielerspelletje verpestte. Dat gebeurde in de zevende etappe van de Tour van 2003. Ik zat mij te verkneukelen toen ik mijn troef Manzano in het begin van die etappe aan de voet van de beklimming van de Col de Portes er met Virenque vandoor zag gaan. Niemand anders had Manzano in zijn Tourploeg opgenomen. Maar ik had opgelet en opgemerkt dat hij op 19 juni van dat jaar solo de vierde etappe van de Ronde van Catalonië won. Ik wist dat dit een gouden tip was waarmee je spelletjes kunt winnen en noteerde zijn naam. Maar mijn genot duurde kort. Als bij toverslag zakte Manzano’s tempo in, hij begon op de klim te zwalken en viel tenslotte flauw in de berm. Het voor hem onbekende middel dat hij die morgen toegediend had gekregen, kende een verkeerde uitwerking. Het droogde hem uit. In kritieke toestand werd hij per helikopter vervoerd naar het ziekenhuis. 

Manzano raakte daarna in onmin met zijn ploeg over de gedwongen injecties met onbekende middelen, het was niet eens door epo verrijkt bloed en al helemaal niet zijn eigen. Toen hij later in het seizoen tijdens de Vuelta met een vrouw in bed werd betrapt, was dat voor Kelme een welkome aanleiding om hem te ontslaan. Manzano’s frustratie groeide als een courgette in een volkstuintje en ziek van het milieu klapte hij over de dopingpraktijken uit de school. Een enkele andere renner volgde aarzelend zijn voorbeeld en daarna nog meer. Het balletje begon te rollen. De verborgen epo-praktijken werden gestaag uit de doeken gedaan. 

De bekentenis van Manzano werd door de wielrenners niet in dank afgenomen, hij doorbrak immers de omerta. Een klokkenluider maakt zich nooit populair. Mijn frustratie over mijn geflopte tour was inmiddels veranderd in een milde mentale pijn die langzaamaan plaats maakte voor respect voor de klokkenluider Jesús Manzano.

Nooit meer werd een Tourwinnaar zijn zege ontnomen.

De Buru-tetralogie van Pramoedya Ananta Toer

Toen ik naar de middelbare school ging en nog heel veel moest leren, ook al dacht ik als puber de wijsheid al in pacht te hebben op basis van enkele lukraak gelezen inzichten, wist ik nog niet hoe weinig ik wist en dat mijn kennis ten opzichte van alles wat nog geleerd kon worden steeds kleiner werd door het voortschrijdende inzicht dat het opdoen van kennis leidt tot nog meer vragen. Ik dacht bijvoorbeeld dat wij Nederlanders – of moet ik zeggen zij Nederlanders, want mijn eigen positie hierin is niet duidelijk omdat ik door mijn afkomst ook van de andere kant ben – het best goed hebben gedaan in Nederlands-Indië. Dit ontkennen is ook niet goed mogelijk want wij (of zij maar ik hou hier nu maar over op) hebben toch maar een goede infrastructuur aangelegd en het volk enige welvaart en zelflerend vermogen bijgebracht en misschien ook een geringe mate van welzijn om het maar van de positieve kant te bezien. Maar al deze goede zaken verrichtten wij er niet omdat wij het zo goed voor hadden met de inlanders, dat we uit filantropie een volk aan de andere kant van de wereld gunden om te stijgen op de welvaartsladder. 

Het was puur eigenbelang. 

Avonturierschap en handelsgeest stuwde ons over de oceanen en bracht ons op kusten waarachter zich een schat aan specerijen en grondstoffen bevond die wij er zonder enige gêne weghaalden om te verhandelen en er rijk, heel erg rijk van te worden. Al die wegen en spoorlijnen die wij er aanlegden waren in de eerste plaats bedoeld om het transport van al deze waardevolle spullen van de ondernemingen, plantages en mijnen het land uit te voeren. Omdat alles voortdurend in beweging is, dus ook hoe we terugkijken naar het verleden, ben ik langzaamaan anders gaan kijken naar al het moois dat wij in de kolonie hebben verricht. 

Het was mooi vooral voor ons. 

Aan zo’n relativerende blik dragen de boeken van Pramoedya Ananda Toer, die met zijn romancyclus de Buru-tetralogie naar de koloniale samenleving kijkt met de ogen van de inlander, enorm bij. Dat waarover Multatuli al begon te vertellen, namelijk over de ongelijke verhoudingen binnen de kolonie, las ik nu beschreven door een Javaan, vormgegeven in een mooi verhaal, althans de eerste twee delen, waarin het huwelijk tussen Minke en Annelies een hoofdrol speelt om de rechtsongelijkheid en de standenmaatschappij te illustreren, want aan de tweede helft van deze tetralogie moet ik nog beginnen. Ik lees over ongelijkheid en discriminatie, zaken waarvan ik natuurlijk allang op de hoogte was, maar die nu pas goed duidelijk worden. Het is als het verschil tussen horen en luisteren, kijken en zien, weten en beseffen. 

Dat is de grote kracht van de boeken van Pramoedya Ananta Toer.