|tekstenstek   |wielrennen   |muziek   |indisch   |stukjes   |contact
Tik, tak, piep
Hé, wie praat daar nou?

stoombad

Ik ben verkouden. Omdat mijn moeder - ook al woont ze 40 kilometer weg - alles ziet en een dwingende blik heeft voel ik mij gedwongen een stoombadje te nemen. Dat is immers goed voor mij zegt ze altijd! Ik hoop maar dat het hete zoute water mijn luchtwegen zal reinigen.

Tien minuten lang zal ik aan de keukentafel met mijn hoofd boven een dampend kommetje zout water hangen. Tien minuten waarin ik niets kan doen, behalve zitten op een stoel en wandelen door de gangen in mijn hoofd. Omdat ik in dat laatste geen zin in heb luister ik naar de geluiden om mij heen. Er is immers altijd en overal geluid, nooit heerst absolute stilte. Zelfs niet op een windstille dag in de woestijn. Ik hoor dan ook al snel de ventilator van de laptop op tafel. Een zoemend geluid, zoals er zovele varianten zijn in de moderne samenleving. Allemaal apparaten die gekoeld moeten worden. Ventilator betekent welvaart, zoemen is het geluid van vooruitgang.

Wat verder weg hoor ik een klok, twee klokken zelfs. Hoeveel klokken hebben we? In mijn hoofd tel ik de klokken in huis. Boven op de overloop hangt ook nog een klok die tikt, maar die hoor ik nu niet. Luisterend naar de twee klokken in de woonkamer ontdek ik een tegenstelling: het getik van beide klokken is weliswaar synchroon, maar niet gelijktijdig. Kan dit wel, vraag ik mij af, of gebruik ik verkeerde woorden? De ene klok klinkt een fractie van een seconde na de andere, maar wel elke keer. Hij zal de andere klok nooit inhalen.

Ineens word ik mij een andere, doffere tik gewaar; een tak presenteert zich in mijn rechteroor. Dat moet ook van de keukenklok zijn, dat kan niet anders. Ik bedenk dat het verband houdt met het schoksgewijs verplaatsen van de grote wijzer en concentreer mij op het nieuwe geluid. Ook hier is sprake van regelmaat. Ik tel het interval. Vijftien! Na veertien keer tik hoor ik bijna gelijktijdig met de vijftiende tik een tak. Vier keer in een minuut verplaatst de grote wijzer zich een stukje, heb ik zojuist ontdekt. Na vier keer is hij precies een minuut opgeschoven. Als je de klok niet kan zien en je hebt niets te doen hoef je alleen maar de tikken of takken te tellen om te weten hoe laat het is.

Bij de buren is het stil. Naast wat zacht geraas in de verte van het verkeer is er niets meer te horen. Of toch wel? Ik hoor ineens een piep tussen mijn oren. Alweer een geluid. Mag ik die piep wel meetellen of moeten anderen het ook kunnen horen? Maar dat is immers onmogelijk! Ineens is die piep heel duidelijk te horen. Eigenlijk was die er altijd al, maar ik ben me er bijna nooit van bewust. Ik heb wel eens anderen gehoord over een piep, hun eigen piep. Ze worden er gek van en gaan naar de dokter. Maar die kan dus niets horen. Ik ga niet naar de dokter, ik laat mij niet gek maken. Die piep heb ik in de hand, dat is altijd gebleken. Als ik naar de radio luister hoor ik hem al niet meer. Bovendien wat moet de dokter met mijn piep. Zij heeft het druk genoeg met echte patiënten.

Het kost mij eigenlijk helemaal geen moeite om die irritante piep te negeren. Irritant, zei ik dat nou? Ik zit er nu wel heel erg op te letten! Het tikken van de klokken hoor ik niet eens meer, alleen dat hoogfrequente geluid tussen mijn oren. Gek is dat, wel klokken geen piep, geen klokken wel piep. Maar nu hoor ik klokken en piep. Ik word er knetter van.

Anderen hebben het wel eens over stemmetjes in hun hoofd. Die zeggen de hele tijd wat ze moeten doen. Wat is het verschil met denken eigenlijk? Wat ik hier neerschrijf heb ik toch al die tijd in mijn hoofd horen zeggen? Dus heb ik ook stemmen in mijn hoofd.

Stemmen in mijn hoofd en een piep tussen de oren en duizend keer tik en tak, dit gaat niet goed. Met een ruk trek ik de handdoek van mijn hoofd, gooi het kommetje leeg en geniet van het nieuwe geluid van kletterend water.

De rest van de dag ben ik druk met het maken van zoveel mogelijk geluid.

[13 december 2012]

Tekstenstek
tekstbureau voor tekst en webstek